Hoofdbanner

Op een zonnige dag valt weer eens op hoe prachtig diepblauw de hemel van kleur kan zijn. Hoe ontstaat deze kleur, kun je je afvragen. Waarom is ze niet rood, groen of geel? Een antwoord hierop kun je op twee verschillende manieren benaderen. Je kunt het op de wetenschappelijke manier doen, van buiten naar binnen. Je kunt het op de kunstenaarsmanier doen, van binnen naar buiten.

Wetenschappelijke manier
Nemen we de eerste manier, de wetenschappelijke, van buiten naar binnen. We nemen verschijnselen in de natuur waar, ordenen deze en proberen vanuit deze ordening tot een duiding te komen. Deze duiding is vaak wiskundig van aard. Het aantrekkelijke is dat de wiskundige oplossing die we vinden altijd geldend is, ook op een ander tijdstip en op een andere plek. We kunnen er voorspellingen mee doen. De ontwikkelde theorie is universeel, tot het moment dat we metingen doen die hier in strijd mee zijn. We vinden andere duidingen, andere oplossingen, en ook deze zijn weer (voorlopig) universeel.
Deze wetenschappelijke methode van onderzoek is objectief en deducerend. Vanuit een hoeveelheid aan informatie van buitenaf komen we door middel van ordening tot één specifieke oplossing.

Zo is de wetenschap tot de conclusie gekomen dat de blauwe kleur in de dampkring ontstaat door het zonlicht dat daar op schijnt. De dampkring blijkt uit moleculen stikstof en zuurstof te bestaan. Deze moleculen zijn zo klein dat het licht dat er opvalt verstrooid wordt. Verstrooien is het verschijnsel dat licht in aanraking met (kleine) moleculen verschillende kanten opgaat, in plaats van één richting zoals gewoonlijk.
Het blijkt nu dat de mate van verstrooiing afhankelijk is van de golflengte van het licht dat er op valt. Dit volgens de zogenaamde verstrooiingswet van Rayleigh. De verstrooiing is omgekeerd evenredig met de golflengte tot de vierde macht.

In formule:         s = constante · 1/λ4

Waarbij s de hoeveelheid verstrooid licht is en λ de golflengte van het licht.

Nu bestaat licht afkomstig van de zon uit alle kleuren van de regenboog. Die kleuren zijn rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo, violet. Het verschil tussen deze zeven kleuren is gelegen in hun golflengte. Rood heeft de grootste golflengte, zo'n 700 nm (nm = nanometer = één miljardste meter), violet de kleinste, zo'n 400 nm. De andere kleuren zitten daar qua grootte tussenin.

Als je naar de formule voor de verstrooiing kijkt en je vult een grote waarde voor de golflengte in, dan zie je dat de verstrooiing zeer klein is. Iets delen door een groot getal levert een klein getal op. Het feit dat de golflengte tot de vierde macht is, maakt dit nog erger. Andersom, delen door een klein getal levert een grote waarde op.
Zoals gezegd, violet heeft de kleinste golflengte. Violet zal dus verreweg het sterkst verstrooid worden. Iets minder gebeurt dat bij indigo, en nog iets minder bij blauw. Verder niet, de andere kleuren vallen weg. Omdat onze ogen violet niet of nauwelijks kunnen waarnemen, zien wij alleen indigo-blauw. Dit is precies de diepblauwe kleur van de hemelbol.

Als er vocht in de lucht hangt, worden de kleine stikstof- en zuurstofmoleculen omgeven door veel grotere watermoleculen. Door die grotere moleculen zal er nog wel verstrooiing optreden, maar deze hangt nog nauwelijks van de golflengte af. De formule van Rayleigh blijkt hier niet op te gaan. Alle kleuren worden gelijkmatig verstrooid. Het gevolg is dat bij toenemende vochtigheid de lucht van blauw naar wittig wordt (wit is alle kleuren tezamen). Let maar op als het bijvoorbeeld heiig weer is. Het blauw verdwijnt dan.
Dat is ook de reden dat wolken wit van kleur zijn, ook mist trouwens. De grote watermoleculen zorgen daar voor. Wordt de dichtheid van de watermoleculen groter, dan wordt er steeds meer licht geabsorbeerd, waardoor de kleur verandert richting grijs en zelfs diepzwart bij hele zware regenwolken.
Hetzelfde gebeurt bij smogvorming. De roet- en stofdeeltjes zijn veel groter dan de moleculen stikstof en zuurstof. Boven een stad vol industrie en uitlaatgassen is de lucht daardoor zelden strakblauw. Zeker als het windstil is. Eerder grijzig wit. Je kunt dan ook concluderen dat (bij een onbewolkte hemel) de kleur van de atmosfeer de mate van smog aangeeft. Des te witter of grijzer de lucht, des te meer smog. Na een regenbui (als alle stofdeeltjes op de grond zijn neergeslagen) is de lucht om die reden dieper blauw dan ervoor.

Je kunt zelf een experiment uitvoeren, waarbij je dit kunt aantonen. Hoewel dit in een tijd van waarschuwingen en door de overheid opgelegde regeltjes haast niet meer mag. Blaas op 2 verschillende manieren de rook van een sigaret uit (doe ikzelf niet hoor, als niet-roker, maar er zijn altijd proefkonijnen die zich voor de wetenschap op willen offeren, zich daarmee een alibi verschaffend om toch te blijven roken, ha).

1. Neem een trek van je sigaret en blaas de rook direct uit, zonder echt te inhaleren. Je zult zien dat de rook tamelijk blauw van kleur is. Of laat de sigaret gewoon branden, dan zie je het nog duidelijker.
2. Inhaleer nu diep, laat de rook een tijdje in je mond en longen rusten en blaas dan uit. De rook zal wit van kleur zijn.

Verklaring: in het tweede geval zal de rook vermengd zijn met water uit je lichaam. De verstrooiing van licht is hier anders, door de grote watermoleculen. Het blauw wordt wit.

Kunstenaarsmanier
We kunnen de blauwe kleur ook op de kunstenaarsmanier benaderen, van binnen naar buiten, ofwel op de manier van de intuïtieve beleving. Deze methode van onderzoek is subjectief en inducerend.
We merken dan al gauw dat elke kleur zijn eigen emoties en associaties oproept. Kleuren raken ons gemoed, stemmen ons blij, vrolijk of juist somber en weemoedig. Schilders werken met die gemoedstoestanden, juist door een specifieke kleur wel of niet aan te brengen.

In het Kröller-Muller museum op de Hoge Veluwe hingen tot voor kort in één zaal twee schilderijen. Eén volledig rood, de ander volledig blauw. Wanneer je er dichtbij stond en je liet de kleur rood gedurende een aantal minuten op je inwerken, ervoer je iets anders dan wanneer je dat bij het blauwe schilderij deed. Het blijft subjectief, maar in het algemeen kun je zeggen, rood doet jou kracht en nabijheid beleven, blauw een soort van schoonheid van ver weg, van afstand. Bij rood voel je je direct betrokken, bij blauw juist niet.
 
Hoe ontstaan deze verschillen in je gemoed? De wetenschap geeft hier geen verklaring voor. Goethe heeft dit als eerste natuurwetenschapper onderzocht en geprobeerd hier antwoord op te geven. Zijn interesse in schilderijen uit de Italiaanse Renaissance bracht hem naar Italië waar hij zijn ervaringen diepgaand heeft onderzocht. Het leidde tot zijn bekende kleurenleer, die in onze tijd van toonaangevende wetenschap nog altijd uniek is en weinig op zijn juiste merites wordt geschat.

Het uitgangspunt van Goethe was dat kleuren ontstaan daar waar licht en duisternis elkaar ontmoeten. Uit deze ontmoeting ontstaat strijd. De uitkomst van deze strijd bepaalt de kleur die wij zien.
Licht is eenheid, licht is volledig. Het kan niet uiteen gerafeld worden. Dat is het verschil met de wetenschappelijke opvatting. Pas op het scheidsvlak van licht en duisternis, waar deze twee in contact met elkaar treden, ontstaat een kleur. Niet omdat het licht uiteenvalt, maar omdat het de strijd aangaat met het donkere. Het licht verliest daarbij iets van zijn glans, het donker licht een ietsje op. Door die strijd ontstaat nuance. Kleuren zijn de nuances van de wereld.

Kleuren zijn volgens deze visie de uitkomst van de strijd tussen licht en duisternis. Bij de kleur geel overwint het licht grotendeels de duisternis, zou je kunnen zeggen. Het licht is sterker. Vandaar dat we de kleur geel in onszelf beleven als licht, blij en vrolijk.
De kleur blauw ontstaat wanneer de duisternis sterker is dan het licht. Het licht wordt bijna volledig teniet gedaan. Vandaar dat we bij de kleur blauw afstand en kilte ervaren.
Zo kun je voor elke kleur afzonderlijk beleven hoe de strijd tussen licht en duisternis uitpakt. Iedere kleur heeft daardoor zijn eigen stemming. De kleur die jij zelf het mooist vindt past het beste bij jouw gemoed.

Een ander verschil tussen de wetenschap en Goethes invalshoek is de uitleg van de kleur zwart. In de wetenschap is zwart het ontbreken van licht. Er is niets. Niets om te meten, niets om te zien. Voor Goethe was zwart een bepaald soort kracht, dus wel zeker iets. Voelbaar, op een bepaalde manier ook tastbaar. Iedereen die in zijn eentje ’s nachts wel eens in een donker bos heeft gelopen kan daar over meepraten.
Overigens, de oude Grieken kenden de kleur blauw niet. Ze leefden nog zozeer met hun goden, waren nog zozeer één met het geestelijke licht, dat ze die overwinning van de duisternis op het licht eenvoudigweg niet kónden zien. De zee en de lucht worden bij Homerus bijvoorbeeld beschreven in tinten grijs en soms ook groen. De latere Britse premier Gladstone viel dat bijvoorbeeld in 1858 op. Gladstone schreef: "Homer had before him the most perfect example of blue. Yet he never once so describes the sky." Gladstone vrroeg zich dan ook af of de Grieken misschien kleurenblind waren. Maaar ook andere oude culturen kenden het woord blauw niet zoals wij dat in onze tijd ervaren. Pas in de Middeleeuwen gebruikten schilders de kleur blauw om de mantel van Maria te schilderen. Je kunt dat beschouwen als een symbolische overgang van de godenwereld van de Grieken naar onze moderne tijd. Als 'tussenoplossing' was er de geborgenheid van de toen overal aanbeden moederfiguur die ons voor het eerst de kleur blauw liet waarnemen.

Die oude godenwereld, weerspiegeld in het uitspansel van zon, planeten en sterren zoals die vroeger werd beleefd, staat in onze tijd ver bij ons vandaan. Wij beleven haar niet als zijnde levend en onderdeel van ons eigen leven. Ze is teruggebracht tot een samenspel van atomen en moleculen, min of meer toevallig bij elkaar geklonterd. Het geloof en de mythes van vroeger zijn ons ontvallen. We ervaren een afstand die te groot is om 'het levende' van de hemelbol in ons leven te integreren. 
Vandaar dat wij de hemel in de kleur blauw zien. Het blauw van de afstand. Onze manier van leven en kijken is materie- en dus aardegericht en niet geschikt om de volheid van het (geestelijke) licht van zon en sterren waar te nemen. Het past gewoon niet in onze tijd. Is ook niet erg, zo lang we ons hier bewust van zijn. Het is een gegeven.

Als contrast hiermee: let eens op de luchten op de schilderijen van Vincent van Gogh in zijn laatste jaren. Die zijn absoluut niet afstandelijk blauw. Enerzijds obsessief, anderzijds van een sterke geestelijke stroming doortrokken, lees zijn prachtige laatste brieven er maar eens op na, schilderde hij die luchten wervelend, vol leven, en van een heldergele gloed doortrokken. Hij ervoer andere kleuren dan wij gewoonlijk zien.
Interessant is verder hoe Goethe tegen de werking van onze ogen aankeek. Om licht waar te kunnen nemen, zullen de ogen zelf een element van licht in zich moeten dragen. Anders kunnen ze het licht niet herkennen. Vergelijk dit met een Chinees die iets tegen je zegt. Je begrijpt hem alleen wanneer je zelf Chinees spreekt en verstaat.
Onze ogen zenden licht uit, natuurlijk niet een letterlijk licht maar een voelbaar geestelijke. De ogen zijn de vensters van de ziel. In die ziel zit een bepaalde hoeveelheid licht en ruimte, dat is waarmee wij verbinding zoeken. We hebben oogcontact, heet dat dan. Iedereen die wel eens verliefd is geweest, weet hoe intens dit oogcontact kan zijn. Alsof je in elkaar verdrinkt, in die zee van (innerlijk) licht, zo voelt het. 

Samenvattend, er zijn twee manieren om te verklaren waarom de hemel blauw is, een wetenschappelijke en een vanuit een kunstenaarsperspectief. Ze lijken in strijd met elkaar te zijn, maar zijn het niet. Het hangt er van af welke invalshoek je neemt, die van de wetenschapper of die van de kunstenaar. Je kunt zeggen, ze zijn complementair. Ze vullen elkaar aan. De weg van buiten naar binnen en die van binnen naar buiten. Beide manieren hebben evenveel waarde. Het is maar wat je er zelf mee doet of wilt.