Hoofdbanner

Ik ben een genie

in het hebben van gebreken
een kroon, ja
maar van plastic
piepend als speelgoed
in de handen van een peuter

ik draag hem, lachend
(of is het gniffelend?)
en niemand protesteert

anderen koesteren hun trofeeën
ik oefen in de kunst van falen
daar krijg ik een certificaat voor
(zelf uitgeprint)

octrooihouder, dat ben ik
maar van onafgemaakte zinnen
(niet verzilverd, wel herhaald)
elke ochtend verkoop ik
wat niet gekocht kan worden

en struikelen doe ik zorgvuldig
met titels vooraf:
hoofdstuk 1: hoe de stoeptegel won
hoofdstuk 2: een knie die weigerde

mijn bureau ligt bezaaid
met onverholen versprekingen
ik markeer ze met stift
schrijf als voetnoot ‘wisselbeker’ erbij

de prijsuitreiking is reeds uitverkocht
mijn eigen handen klappen het luidst


Butsen

op straat, in winkels
zie ik mensen
veiliggebunkerd
tot in de finesses opgestroopt

zelfs een oplawaai
laat geen butsen na

in hun schaduw voel ik
mijn eigen dunne nevelhuid

een speldenprik
en ik stuiter
over wegdekkrassels

uitgeteld
(hoewel ik goed kan rekenen)

een slapfladdergast, o ja
een ruwe kerelflonk, o nee

zeeziek in mijn hoofd
oprispflitsen in mijn buik
roei ik verder

alleen
zonder indrukknop
op mijn kompas



Het is vandaag

fragilofeest
met wiebelvoeten
handen vol pluiskracht

de wereld pingpongt
tussen zonnedauw en grijze wolken
iemand telt de punten

ik vang woorden op
te zwaar voor halsbrekende luchten
ze dansen
in het breekbare
voor wie luistert

durf te bungelen!
roep iets
dat vaststaat

soms lek ik van binnen
glinsters verschuiven
ballonnen schieten weg

ik blijf lachen
om mijn eigen verzinselgeluk



Je kwam voorbij

als de eerste blauwe maandag
van oktober
ik dacht: daar is iemand onderweg

maar je begon te weerbarsten
confetti uit je schouders
uitwaaierend
als een feest
dat zijn eigen uitnodiging schreef

aan een fabeltjescircusdier
(ben ik dat?)
verstopt in gewoonte-sokken
(nee toch?)

ik tastte
naar wat je was
iets wat zich niet liet wegen

hoe kon ik niet zien
dat je sprankelde 
als supernova in een sprookjeshal



Ik ben mijn stem kwijt

ik zag haar nog
stoepaf spookrijdend
puntpaalschoenen
klein
eigenwijs

misschien door de afvoer weg
gegleden

of vastgeklemd
achter in mijn keel
te knikkeren
met woorden als
plonsviool en kladderzin

ze rolt
van mijn klinkertong
laat mij struikelen
over bonnetjes
en post-it-lijstjes

ze vouwt zich op
tot weggooiprop

vang me dan, sukkel

ik ben naar een eiland
vol hangmatten

misschien kom ik terug
als lui souvenir
maar nu niet



Springelkat

de kat heeft zich
gevoelig als ze is
verstopt in muizenissen

een schaaltje melk mag niet baten
wil bij lange na niet
door het gat

poezepoes toch
klauw, lik, miauw
laat je niet zo kennen

je tinkelstaart wiebelt
langs plooibare kussens
snuffelneus in windgedoe

miauwfabriek van dromen
krab, wrijf, spring
in de schaduw

van je eigen donderblauw
keer terug, alsjeblieft
in je springeldoos van snorrend welbehagen



Pieterpeuterslak

heb je het gehoord
pieterpeuterslak
sinds kort op atletiek
heeft een nieuw pr behaald

niet op sprint of kogelstoot
maar in het vak van glibbergroot
met slierten slijm over de baan
spurtte hij naar stommelwinst

het plofklappende publiek
(allemaal naakt, dus zonder huis)
schreeuwde: wonderbaar, o wonderbaar!

de scheids floot flierefluitend
en pieterpeuterslak kreeg een schaal
gemaakt van glans en slakkengang

zijn glorieglimlach zei:
dit is mijn beste stommeldag ooit
en morgen…

dans ik, dans ik
polka in de paddenstoelparade