Hoe lang nog
stoelen schuiven dichter aan tafel
stemmen jagen elkaar op
sneller dan hun tong
woorden botsen, vallen
uit elkaar als glasscherven
nog voor ze betekenis vinden
ik zie kinderen lippen bewegen
zonder geluid
hun ogen groot als monden
zij oefenen zwijgen
en ik verlies
stilte is een gat
onder het asfalt
het moment dat een zin stopt
bij een rode lijn
een vel papier
dat weigert zich met onrecht te vullen
stilte is het achterblijven
van een antwoord
hoe lang nog
voor ze in opstand komt
en hard begint te schreeuwen
en waar ben ik dan?
Spitsuur
je hoort de straat spreken
verharde klanken
klemmend als een te strakke kraag
er wordt gelachen
het soort dat bijt
losgescheurd van gezichten
je ziet ze
een fabriek van ogen
als projectielen
een blikje, half ingedeukt
niemand raapt het op
iedereen trapt nog even na
kinderen leren sneller
pistolen rammelen in hun handen
je probeert terug te tellen
naar waar taal zacht is
geen kogels in de lucht
de tellers lopen vast
het radertje hikt
er groeit een vermoeden van stilte
een dunne huid
een motor die weigert te starten
Lessen van de mond
dit voorheen statige gebouw
is nu de academie
voor lessen van de mond
de docent zegt: adem diep
laat je longen schuren
tegen je ribben
zodat er vonken vallen
woede is geen rechte rivier
maar een delta van draden
een blik die een rots verplaatst
een stilte die sterker klinkt
dan schreeuwen
je hart niet temmen
maar langzaam en geduldig opvoeren
tot bittere tranen
geconserveerd in flessen
pas te openen bij begrafenissen
in vuur en vlam de wereld
zonder lucifers, zonder benzine
alleen in de taal
die diep achter in je keel brandt
de wereld heeft genoeg ruimte
voor een nieuwe brandstapel
Wolk zonder regen
ik wil mezelf bewaren
als een jas in de kast
op straat druipt het sentiment
regelrecht de goot in
de stoep wordt een mond
die mijn voeten opslokt
kleverig
ik wankel, sla om
in een aanstormend verkeer
van stemmen
mijn mobiel zegt: kijk!
nog een bericht
de zee zwelt, haar golven
tikken op mijn vingers
help, ik verzuip!
stilte was ooit een kamer
waarin iemand zijn dagelijks brood at
of de manier waarop een boom
zijn bladeren verloor
zonder hashtags
maar mijn raam is vol kieren
en overal mensen
die mee gillen met de laatste wegwaaiwind
opgeblazen, zwart en leeg
als wolk zonder regen
die blijft donderen
Drempel
links een hand, rechts een stem
ze trekken, ik volg
verzet mij
de kamer helt schuin
onder mijn voeten
ik zoek een stoel, houvast
maar de vloer barst open
nog voor ik zit
wie legt de knoop
of ben ikzelf het koord
elastisch
hoop is de rek
die mij telkens mee laat veren
ontelbare deuren zwaaien open
ik buig, en buig
voorover
diep
ik blijf de drempel
Taal
waar woorden verschrompelen
tot een aaneenschakeling
van letters zonder zuurstof
waar klanken
als roestige sleutels
geen deur meer vinden
daar blijft geritsel over
van papier dat wegwaait
met de eerste de beste rukwind
de verstikking groeit
in de leegte van een long
die naar adem zoekt
als een schaduw
die zich voor het licht verstopt
Monden vol as
gebrom dat naar aarde ruikt
de tong van een hijgende hond
kinderen verzamelen kiezels
hun stemmen waaien tegen gevels
breken
als glas in regen
pleinen nat van angst
monden vol as
achter de huid van de stad
valt een appel uit de boom
rolt de stoep af
verdwijnt in het riool
de wereld slikt
wat ze wil
rolt verder in het donker