Hoofdbanner

De volgende anekdote heb ik van een collega. In de jaren negentig, zo’n 25 jaar geleden dus, speelde hij in het eerste elftal van de plaatselijke voetbalclub. Ze moesten voor de beker tegen een team spelen dat twee klassen hoger voetbalde. Ze zagen er best wel tegenop. Gelukkig speelde die aankomende tegenstander eerst nog een vriendschappelijke wedstrijd tegen Ajax. Het hele team er heen. Twee vliegen in één klap, het beroemde Ajax zien en alvast wennen aan de tegenstander. Het werd een gênante vertoning. De aankomende tegenstanders werden voorbij gelopen alsof ze er niet stonden. De eindstand van 0–12 was niet eens geflatteerd. Wat een stelletje houten klazen, dachten mijn collega en zijn teamgenoten. Daar maken we wel een kans bij.
De uiteindelijke bekerwedstrijd: het team van mijn collega werd vanaf het eerste fluitsignaal compleet weggespeeld. Ze kwamen nauwelijks over de middellijn. De ruststand was 0–5. In de kleedkamer keek iedereen keek strak voor zich uit, lamgeslagen. Het duurde vijf lange minuten voor de aanvoerder zijn hoofd oprichtte en zuchtte. “Wat is Ajax goed hé”.