Hoofdbanner

In 1967 ontdekte Jocelyn Bell, werkzaam aan de universiteit van Cambridge, vreemde piekjes in de radiosignalen (= elektromagnetische golven met een grote golflengte, zich voortplantend met de snelheid van het licht) die zij uit de ruimte opving. Omdat zij niet begreep wat dit was, weet ze deze piekjes aan de apparatuur en noemde ze dan ook scruff (vuiligheid).
Ze verfijnde haar instrumenten en kwam erachter dat deze piekjes elkaar met een strenge regelmaat van 1,33 seconde opvolgden. Dat was heel vreemd, zulke korte pulsen in zo'n exact tijdsverloop achter elkaar.
Ze haalde de radioastronoom Anthony Hewish erbij, maar ook hij wist niet wat dit te betekenen had. Voorlopig hield men het op Little Green Men: een buitenaardse bron die contact zocht met de aarde.  

Men heeft getwijfeld of deze bevinding wel openbaar moest worden gemaakt. Dat van die kleine groene mannetjes zou toch niemand serieus nemen? Toch kwam het in alle kranten te staan. Het bestaan van buitenaards leven leek bevestigd te zijn, het was een sensatie. Maar na enige tijd vond Jocelyn Bell nog een andere bron in de ruimte die soortgelijke pulsen gaf. Nu leek het haar zeer onwaarschijnlijk met een buitenaardse beschaving van doen te hebben. De kans dat er twee bronnen tegelijk vanuit verschillende plaatsen contact met de aarde zochten was statistisch gezien heel klein. 

De oorzaak werd gevonden in pulserende (= snel om hun as draaiende) radiobronnen. Men gaf ze de naam pulsars. De constante frequentie van een pulsar verklaarde men uit de snelle rotatie van een neutronenster, die op zijn beurt ontstaan was als eindproduct van het ineenstorten van een ster van middelgrote massa (voor de duidelijkheid, onze zon zal als relatief kleine ster ineenstorten tot een witte dwerg, de allergrootste sterren eindigen als zwart gat).
Door de snelle rotatie verandert het magnetisch veld van de neutronenster heel snel. Hierdoor ontstaan sterke elektrische stromingen met extreem hoge snelheden. (Vergelijk de werking van een dynamo, door de verandering van de magnetische flux, zoals dat heet - dit is de hoeveelheid omvatte magnetische veldlijnen - wordt er elektriciteit opgewekt. Eenzelfde proces vindt overigens plaats in een elektriciteitscentrale).
Die elektrische stromingen zorgen ervoor dat er straling wordt uitgezonden, loodrecht op de as van draaiing. Het gevolg is twee scherpe bundels licht die als de regelmatige flitsen van een vuurtoren de ruimte in worden geslingerd en door ons op aarde worden opgevangen.

Dit was een baanbrekende ontdekking waar terecht in 1974 de Nobelprijs voor natuurkunde voor werd uitgereikt. Echter niet aan Jocelyn Bell, de ontdekster van de pulsars. Wel aan haar begeleider Anthony Hewish. Deze mocht de eer opstrijken, als supervisor en eindverantwoordelijke. Over discriminatie gesproken.