Hoofdbanner

De kracht van verlamming

Jij moest de ene kant,
ik om naar huis te gaan de andere op.
Riep iets, keek naar me om, ik naar jou maar een stroom
zwart nam je mond weg, je stem mee naar binnen en lang
dacht ik geen nacht meer aan je

tot tegen asfalt, één gillend naast mij, één stom
tegen mijn schouder, één dieper en weerlozer, hoofd in mijn schoot,

ik zingen moest en zong
‘de sleutel is gebroken -‘

Zag je, zag uit mijn hoofd in de spiegel je ogen.

Achter ons, krimpend als regels die je vergeet,
uit je haar schudt bij het opstaan, de rijstroken. ‘Daar’
zei je, pupillen snel kleiner, en buiten, gekanteld, die twee,
tot aan het stuur in elkaar doorgereden.

Zo kalm, blind voor gevaar,

zo in elkaar verdwaald, hals over kop,
zo onbedoeld en zonder uit te wijken,
zo scherp elkaar in het gezicht te kijken.

Eva Gerlach (1948 - )

Dit gedicht uit 1988 van Eva Gerlach is al vaak besproken. Het laat zich niet eenduidig verklaren. Er wordt veel weggelaten. Toch intrigeert het. Je voelt er van alles bij, zonder het direct te kunnen plaatsen.

Jij moest de ene kant,
ik om naar huis te gaan de andere op.


De eerste twee regels geven aan dat het om een 'ik' en een 'jij' gaat. Ze gaan beiden een andere kant op. Kortom, ze splitsen zich. Wel beiden op weg naar huis, naar de oorsprong, zou je kunnen zeggen. Er staat ‘Jij moest’, kennelijk kon het niet anders, was het een soort van noodlot. Let op hoe het woordje 'op' pas op het laatst in de regels neerploft, om het extra accent te geven.

Riep iets, keek naar me om, ik naar jou maar een stroom
zwart nam je mond weg, je stem mee naar binnen en lang
dacht ik geen nacht meer aan je

Wie er iets riep, wordt pas duidelijk in ‘keek naar me om’. Het weglaten van de ‘je’ werkt verwarrend, je gaat teruglezen, wat staat hier? Pas bij ‘ik naar jou’ wordt het duidelijk. Er is een verstoring, niet alleen in contact, maar ook grammaticaal.
Een stroom zwart nam je mond weg, je stem mee naar binnen: de ‘je’ verstomde, verdween in duisternis en uit het uiterlijke leven. Een scheiding, wellicht de dood, denk je dan. De tijd verglijdt, de ‘je’ is niet meer dan een herinnering, zelfs nog minder: lang dacht ik geen nacht me aan je.

tot tegen asfalt, één gillend naast mij, één stom
tegen mijn schouder, één dieper en weerlozer, hoofd in mijn schoot,

Tot een gillend wakker worden. Kennelijk was er zoiets als een verkeersongeluk, met noodlottige gevolgen. Een schok, eerst tegen de schouder, daarna dieper, tot in het bot (dieper en weerlozer). Vervolgens het hoofd in de schoot: de overgave aan het noodlot, de aanvaarding dat het zo moest zijn.

ik zingen moest en zong
‘de sleutel is gebroken -‘

Een intrigerend tussenstukje. De ‘ik’ moest zingen. Waarom wordt niet gezegd. Kennelijk moest de buitenwereld het weten. Zingend, staat er, als een kind dat in alles naïef en goedgelovig is. Tussen haakjes staat dan ook een gedeelte uit een kinderliedje, afkomstig uit ‘Engeland is gesloten, de sleutel is gebroken’. Met andere woorden, de toegang (het contact) is definitief verbroken.

Zag je, zag uit mijn hoofd in de spiegel je ogen.

Toch is de ‘je’ niet weg, in het hoofd van de ‘ik’ bestaat ie nog. In gedachten, kun je zeggen, alsof ie weerspiegeld wordt in de eigen ogen. Alsof de ‘jij’ in de ‘ik’ zit.

Achter ons, krimpend als regels die je vergeet,
uit je haar schudt bij het opstaan, de rijstroken. ‘Daar’
zei je, pupillen snel kleiner, en buiten, gekanteld, die twee,
tot aan het stuur in elkaar doorgereden.

Opnieuw de herinnering aan wat een ongeluk lijkt te zijn geweest, gezien de rijstroken. Maar de herinnering verflauwt, ze krimpt, de regels worden vergeten, bij het opstaan uit het haar geschud. ‘’Daar’ gebeurde het, zei de ‘je’, de twee die met elkaar één waren, tot aan het stuur verbonden, maar nu is het voorbij. De buitenwereld die omver gekanteld is, buiten bereik van de ‘ons’ uit de eerste regel van deze strofe.

Zo kalm, blind voor gevaar,

Zo onverwacht, alsof niemand het heeft zien aankomen, blind zelfs voor wat er kon gebeuren.

zo in elkaar verdwaald, hals over kop,
zo onbedoeld en zonder uit te wijken,
zo scherp elkaar in het gezicht te kijken.

De slotstrofe waarin het voorgaande wordt samengevat. Was het wel een ongeluk? Of bestond het ongeluk er uit dat de twee te diep in elkaar verstrengeld raakten? Dat ze noodlottig met elkaar botsten, onbedoeld en zonder uit te wijken? Dat ze elkaar te scherp in het gezicht keken?
Het leest ineens als een liefdesgedicht dat op een tragische scheiding uitloopt. De wegen lopen uiteen, de ‘jij’ moest de ene kant op, de ‘ik’ de andere om naar huis te gaan. De cirkel is rond, er was een verleden, een heftige botsing, een scheuring. Het ongeluk bestond er kennelijk uit dat de twee te innig met elkaar verbonden waren, dat ze te veel ‘tot aan het stuur in elkaar’ zijn doorgereden.
Hoe mooi poëtisch verwoord.
Een aantal grote thema's is vernuftig door het gedicht heen verweven: verlies, gemis, scheiding.

Let op hoe het gezichtspunt steeds verandert. De ene keer wordt er verteld vanuit de ‘ik’, de andere keer vanuit de ‘je’, weer andere keren vanuit een objectieve verteller (die twee, tot aan het stuur in elkaar doorgereden, alsmede de laatste twee strofen). Met de openbare weg als metafoor voor het leven.
Zo laat het gedicht zich op verschillende manieren lezen. Intrigerend, tot herlezen uitnodigend, dat blijft het. Alleen al het verwarrend gespletene van de titel: de kracht van verlamming. Daar valt lang over na te denken, zonder dat je er echt uitkomt.