Hoofdbanner

Alles bewoonbaar

Nooit het verzet kwijtgeraakt, het oergewoel in lief en leed,
of toegegeven aan de kanselpreek, aan Het Woord over wat
goed of fout, nooit te lui geweest om op te staan, om tegen
alle bullebakken in te gaan en met geheven vuisten de
hokjesgeest bevechten, tegen de rellen in je hoofd van het

niet-weten, om de onmacht met het stierenrood in je ogen te
temperen, of met rotsentrots altijd je eigen zin te verkondigen,
toe te kijken hoe iemand tot moes en het laatste restje
waardigheid te zien wegsijpelen, je bent tegen schedelmeten,
tegen knechtschap, tegen alle hoekigheid van de mens.

Nooit het verzet kwijtgeraakt, de kiem van de ontworsteling,
je afkomst draagt een rouwkleed, je afkomst had gelukkig
een vluchtstrook, niet dat je over alles mee kunt praten,
dat je altijd ziet hoe het gras aan de andere kant soms
dor en minder groen – het gaat erom dat je je kunt

verplaatsen, dat je de verdrietzee achter andermans ogen
ziet liggen, de woekerwoede van heb-ik-jou-daar,
je wilt zeggen dat je misschien niet alles begrijpt, dat je vast
nooit helemaal de geraakte snaar vindt, maar dat je het
wel voelt, ja, je voelt het, ook al is het verschil duimbreed.

Nooit het verzet kwijtgeraakt, en toch inzien wanneer 
het niet jouw plek is, wanneer je moet knielen voor een gedicht
omdat een ander het beter bewoonbaar maakt, niet uit onwil,
niet uit verslagenheid, maar omdat je weet dat er zoveel
ongelijkheid, dat er nog steeds mensen achtergesteld,

jij wilt juist verbroedering, je wilt één vuist, en wellicht is je hand
nu nog niet krachtig genoeg, of moet je eerst die van de ander
vastpakken om te verzoenen, moet je daadwerkelijk de hoop voelen
dat je iets doet wat de wereld zal verbeteren, al moet je dit niet
vergeten: kom na het knielen weer overeind en recht samen de rug.


Marieke Lucas Rijneveld (1991 - )


Begin 2021 ontstond er commotie naar aanleiding van de vertaling van The Hill We Climb van Amanda Gorman, door haar voorgedragen tijdens de inauguratie van president Biden van de Verenigde Staten. De door uitgeverij Meulenhoff daartoe aangewezen witte Marieke Lucas Rijneveld zou zich niet voldoende kunnen inleven in poëzie uit de zwarte afro-amerikaanse gemeenschap. Dus werd er voor Zaïre Krieger gekozen, een vrouwelijke, nog jonge zwarte spokenwordartiest.  
Hoe ga je om met alle ophef in de media, de beschuldigingen en een ongetwijfeld grote persoonlijke teleurstelling? Door een gedicht hierover te schrijven!
Het antwoord van Marieke Lucas Rijneveld is verbluffend van taal, begrip en inlevingsvermogen. Ongelooflijk wat taal vermag, de subtiliteit die in elke regel doorklinkt.

Alleen de titel al, Alles bewoonbaar: Het is de ruimte die geboden wordt, een uitnodiging aan iedereen, zwart of wit, man of vrouw, jong of oud, links of rechts, om er te mogen zijn. Er is voor iedereen plaats (alleen voor Marieke Lucas Rijneveld niet, denk je dan, want zij werd niet goed genoeg gevonden om te vertalen).

De eerste strofe zet meteen de toon:

Nooit het verzet kwijtgeraakt, het oergewoel in lief en leed,
of toegegeven aan de kanselpreek, aan Het Woord over wat
goed of fout, nooit te lui geweest om op te staan, om tegen
alle bullebakken in te gaan en met geheven vuisten de
hokjesgeest bevechten, tegen de rellen in je hoofd van het

Er is het verzet tegen wat van buitenaf wordt opgelegd, fraai benoemd als het oergewoel in lief en leed, vanuit kerkelijke instituten, de Bijbel, tegen alle brute figuren of mensen met een bekrompen levensopvatting. Maar ook tegen de rellen in je hoofd van het…, staat er.

niet-weten, om de onmacht met het stierenrood in je ogen te
temperen, of met rotsentrots altijd je eigen zin te verkondigen,
toe te kijken hoe iemand tot moes en het laatste restje
waardigheid te zien wegsijpelen, je bent tegen schedelmeten,
tegen knechtschap, tegen alle hoekigheid van de mens.

Om in de volgende strofe verder te gaan, van het niet-weten. Inderdaad, de blinde woede die je tegenwoordig in de social media ziet van verstandelijk beperkte mensen die denken het gelijk aan hun zijde te hebben, of die in de valkuil van de fabeltjesfuik van het internet zijn getuimeld, zoals Arjen Lubach dat in een van zijn programma’s treffend uit de doeken heeft gedaan. Prachtig verwoord met de onmacht met stierenbloed in je ogen en met rotsentrots altijd je eigen zin te verkondigen.
Rotsentrots, staat er als nieuw en inventief woord, een combinatie van apenrots waar de sterkste de baas is, en de uitdrukking: zo trots als een aap. De mens als aap, kun je lezen, dommer kan niet.
De opsomming gaat verder. Het zinloze straatgeweld (let op hoe het werkwoord wordt weggelaten bij het toe te kijken hoe iemand tot moes om de passiviteit van de toeschouwers te benadrukken). Maar ook binnenskamers gaat het mis, het schedelmeten waar wetenschappers zich in vroegere tijden mee bezig hebben gehouden om potentiële criminaliteit mee op te sporen, elke vorm van oordelen en vooroordelen (de hoekigheid van de mens).

De volgende twee strofen verplaatsen het toneel van het maatschappelijke naar het persoonlijke. Wederom vanuit het verzet tegen wat niet deugt.

Nooit het verzet kwijtgeraakt, de kiem van de ontworsteling,
je afkomst draagt een rouwkleed, je afkomst had gelukkig
een vluchtstrook, niet dat je over alles mee kunt praten,
dat je altijd ziet hoe het gras aan de andere kant soms
dor en minder groen – het gaat erom dat je je kunt

verplaatsen, dat je de verdrietzee achter andermans ogen
ziet liggen, de woekerwoede van heb-ik-jou-daar,
je wilt zeggen dat je misschien niet alles begrijpt, dat je vast
nooit helemaal de geraakte snaar vindt, maar dat je het
wel voelt, ja, je voelt het, ook al is het verschil duimbreed.

De dichter gaat de diepte in, het verleden is niet altijd even leuk geweest, je afkomst draagt een rouwkleed, hoewel je het er gelukkig redelijk van af hebt gebracht (er was een vluchtstrook).
Dat geeft voor begrip voor anderen die eenzelfde leed hebben meegemaakt, maar de dichter is bescheiden (niet dat je over alles mee kunt praten). Het gaat om het je kunnen inleven in de ander (het gaat erom dat je je kunt verplaatsen). Sterker zelfs, dat je de verdrietzee achter andermans ogen ziet liggen, de woekerwoede van heb-ik-jou-daar. Ook al begrijp je niet alles, en zit je er soms naast (dat je vast nooit helemaal de geraakte snaar vindt), het gaat steeds om één ding: dat je het wel voelt, ja, je voelt het, ook al is het verschil duimbreed.
Meer kun je niet doen, je gevoelsmatig maximaal openstellen voor de ander. Meeleven, andermans pijn voelen alsof het jezelf betreft. Vooral niet tegen buitenkanten aan kijken, maar ga dieper, tot de verdrietzee achter andermans ogen (hoe prachtig geformuleerd). 

In de laatste twee strofen zien we een tweede omwenteling. Het persoonlijk naar binnen gekeerde om tot een begrip voor de ander proberen te komen, wordt hier gebruikt om heel bescheiden de eigen positie te bepalen. Nog altijd vanuit het verzet tegen alle onrecht in de wereld.

Nooit het verzet kwijtgeraakt, en toch inzien wanneer 
het niet jouw plek is, wanneer je moet knielen voor een gedicht
omdat een ander het beter bewoonbaar maakt, niet uit onwil,
niet uit verslagenheid, maar omdat je weet dat er zoveel
ongelijkheid, dat er nog steeds mensen achtergesteld,

jij wilt juist verbroedering, je wilt één vuist, en wellicht is je hand
nu nog niet krachtig genoeg, of moet je eerst die van de ander
vastpakken om te verzoenen, moet je daadwerkelijk de hoop voelen
dat je iets doet wat de wereld zal verbeteren, al moet je dit niet
vergeten: kom na het knielen weer overeind en recht samen de rug.

Die eigen positie bepalen betekent een terugtreden wanneer dat vanuit de buitenwereld gevraagd wordt, inzien wanneer het niet jouw plek is. Er is zelfs sprake van een zelfopoffering, wanneer je moet knielen voor een gedicht omdat een ander het beter bewoonbaar maakt. Wat een kracht en zelfbeheersing spreekt hier uit. De dichter gaat verder, het terugtreden is niet uit onwil, niet uit verslagenheid. Maar omdat er zoveel ongelijkheid in de wereld is. Dat weegt zwaarder dan persoonlijke overwegingen van de dichter, want die wil juist verbroedering.
Ook al is de dichter nu nog niet krachtig genoeg, zij (inmiddels hij) zal er alles aan doen om tegengestelde werelden tot elkaar te brengen (om te verzoenen). Er is zelfs de hoopdat je iets doet wat de wereld zal verbeteren. Zie hier de eenling die zich hogere doelen stelt dan menigeen zich kan voorstellen. Die zich terugtrekt voor het algemeen belang om juist zo de mensen, zwart en wit, tot elkaar te brengen.

Waarmee de dichter in feite genadeloos de zere vinger legt op de discussie die rond de vertaling van Amanda Gorman’s gedicht is ontstaan. Wat anderen niet lukt, uit het hokjesdenken stappen, geen onderscheid maken tussen rassen, dat lukt hem wel met een Mahatma Gandhi-achtige reactie: verzoening boven alles, de dichter is verder niet belangrijk. Met een fraaie verwijzing naar Gandhi's uitspraak dat je met een gebalde vuist geen hand kunt schudden:

je wilt één vuist, en wellicht is je hand
nu nog niet krachtig genoeg, of moet je eerst die van de ander
vastpakken om te verzoenen

Met als laatste toevoeging, niet te vergeten: kom na het knielen weer overeind en recht samen de rug.
Die deemoedigheid moet ten slotte weer afgeworpen worden. Laten we knielen (haast bidden) om de omstandigheden onder ogen te zien en samen opstaan om het onrecht te bestrijden. Samen rechten we de rug.
Wat een antwoord op de hele discussie is dit gedicht. Juist door begrip te tonen, zichzelf weg te cijferen komt Marieke Lucas Rijneveld als de moreel trotse overwinnaar tevoorschijn uit dit hele onverkwikkelijke gebeuren. De op oneigenlijke gronden afgewezen dichter houdt de eer aan zichzelf. Met een taalgevoel om je vingers bij af te likken.