Hoofdbanner

Tijd

Ik droomde, dat ik langzaam leefde...
langzamer dan de oudste steen.
Het was verschrikkelijk: om mij heen
schoot alles op, schokte of beefde,
wat stil lijkt. 'k Zag de drang waarmee
de bomen zich uit de aarde wrongen
terwijl ze hees en hortend zongen;
terwijl de jaargetijden vlogen
verkleurende als regenbogen...
Ik zag de tremor van de zee,
zijn zwellen en weer haastig slinken,
zoals een grote keel kan drinken.
En dag en nacht van korte duur
vlammen en doven: flakkrend vuur.
- De wanhoop en welsprekendheid
in de gebaren van de dingen,
die anders star zijn; en hun dringen,
hun ademloze, wrede strijd...
Hoe kón ik dat niet eerder weten,
niet beter zien in vroeger tijd?
Hoe moet ik het weer ooit vergeten?


M. Vasalis (1909-1989)

De dichteres M. Vasalis, pseudoniem van Margaretha Droogleever Fortuyn - Leenmans, heeft tijdens haar leven slechts drie dichtbundels gepubliceerd. Toch is zij een van de meest bekende en gelauwerde dichters in het Nederlands taalgebied. Publiciteit was haar vreemd. Ze heeft nooit een interview gegeven of zich op een andere manier doen gelden. Wat dat betreft was ze een buitenbeentje. Haar stijl kenmerkt zich door rijm, ritme en vormvastheid. Haar thema’s laten grootse verbanden zien die soms tot een verrassend persoonlijk inzicht leiden. Het hierboven staande gedicht Tijd stamt uit Parken en woestijnen uit 1940.
Het begint al met een zeer persoonlijke mededeling:

Ik droomde...

Een belangrijk signaal. De vertelling die zal volgen is niet van deze wereld, maar van een dromerige orde. Als beleving door de ik-figuur in beelden vervat die voor een ‘wakker’ iemand misschien niet te begrijpen zijn.
De ontboezeming gaat verder:

Ik droomde, dat ik langzaam leefde...


Ah, het gaat over het leven zelf. Grootse vergezichten lijken zich aan te dienen. Een langzaam leven. Vergelijkingen misschien met het jachtige leven waaraan wij in het Westen met z’n allen lijden.

langzamer dan de oudste steen.

Het gaat nog veel verder, voorbij aan ons hedendaagse leven. De oudste steen markeert het begin van onze aarde, nog voor er sprake van leven was, zelfs in zijn eenvoudigste oervorm. We gaan dan wel heel ver terug in de tijd. Alsof we de schepping opnieuw beleven, vanuit de oerknal, vanuit het allereerste begin. Hoe de ik-figuur zich denkt te kunnen verplaatsen in die oertijd, toen er nog geen leven was, alleen materie in de vorm van steen. Als droom weliswaar, maar toch. Het is een ongelooflijke krachttoer waartoe de dichteres ons oproept om in mee te gaan.

Het was verschrikkelijk:

Oei, die krachttoer is door de ik-figuur nauwelijks te volbrengen. Het is te veel om te omvatten, te groots om te verdragen. De droom verwordt zo tot een nachtmerrie.
Er volgt een opsomming van wat bij een dergelijke beleving staat te gebeuren:

…om mij heen
schoot alles op, schokte of beefde,
wat stil lijkt.

Het zijn de trage oerkrachten van de natuur die zich verhevigd in de ziel van de ik-figuur manifesteren. Wat normaliter aan onze aandacht ontsnapt, het langzame leven dat oppervlakkig gezien stil lijkt te staan, komt hier versneld het bewustzijn binnen.

'k Zag de drang waarmee
de bomen zich uit de aarde wrongen
terwijl ze hees en hortend zongen;
terwijl de jaargetijden vlogen
verkleurende als regenbogen...
Ik zag de tremor van de zee,
zijn zwellen en weer haastig slinken,
zoals een grote keel kan drinken.
En dag en nacht van korte duur
vlammen en doven: flakkrend vuur.

De groeikracht van de bomen, het vervliegen van de jaargetijden, de getijden van de zee, het ritme van dag en nacht, dit alles is samengevat in een beleving van slechts enkele seconden. Dit gaat natuurlijk veel te snel, het is ook veel te veel, als een flakkerend vuur verbrandt het onze ziel. Dit is niet te doen. Een ondergang dient zich aan.

- De wanhoop en welsprekendheid
in de gebaren van de dingen,
die anders star zijn; en hun dringen,
hun ademloze, wrede strijd...

Ineens een andere toon. Er wordt afstand genomen van die veel te intense beleving. De ik-figuur kan nu naar die oerkrachten kijken zonder er zelf deel aan te nemen. Alsof het gebeuren buiten haar om plaatsvindt. Er spreekt relativering uit, een medeleven haast met de wrede strijd die kennelijk gevoerd is. Alsof de natuur en daarmee het oerprincipe van het leven er ook niet zoveel aan kan doen. Ze is er nu eenmaal.
Dan volgt de persoonlijke ontboezeming:

Hoe kón ik dat niet eerder weten,
niet beter zien in vroeger tijd?
Hoe moet ik het weer ooit vergeten?

Alsof de ik-figuur met een schok wakker is geworden en terugkijkt op haar droom. Enerzijds met een inzicht in wat zich allemaal in een heftig ver verleden heeft afgespeeld, met alle evolutionaire strijd van dien. Anderzijds met het besef dat haar leven met dit inzicht nooit meer hetzelfde zal zijn. Alsof er een gat in haar geslagen is en dit besef, deze nachtmerrie voor altijd met zich mee zal moeten dragen.
De immens grootse verbanden, niets minder dan de evolutie van de aarde zelf, van begin tot nu, vaak wreed in de praktijk, worden hier teruggebracht tot een strikt persoonlijke beleving. Zo gaan we van het oneindig grote tot het individueel kleine. Een grotere omspanning is nauwelijks denkbaar. Toch leest het gedicht als vanzelfsprekend, alsof we al lezende deze krachttoer ook zelf met gemak kunnen  maken. Met dank aan de vakmanschap en virtuositeit van de dichteres, M. Vasalis.