Hoofdbanner

Contact

Iemand belt mij telkens op, zegt niets,
vaag hoor ik een verre ademtocht,
het kan de mijne zijn, maar ook die
van de ander, die hardnekkig zwijgt.
Ik leg weer op. Ben nu een man
die vreemde telefoontjes krijgt.

 

De display toont een nummer
met de code van een land dat ik niet ken.
Ik toets terstond, een voicemail klinkt.
‘Hallo met God, Ik ben er niet.
Laat naam noch boodschap achter,
Ik bel nooit terug. Leef rustig verder,
wacht desnoods tot piep, maar zwijg.’

 

Prompt word ik door de beller toch teruggebeld.
Weer hoor ik niets, hooguit die vage adem.
Ik ben de man die stil zijn hartslag telt.

 

Ooit bel ik Hem terug en zeg dan
wél iets na de piep. Dat doe ik niet meteen.
Ik wacht tot ik een geheim nummer krijg.

 

Die dag is nu, contact is hier. Ik toets
het nummer in. Krijg geen gehoor. Hij was me
voor. Hij heeft mijn nummer ingesteld.



Joost Zwagerman (1963-2015)



Zelf heb ik nooit zoveel gehad met de boeken van Joost Zwagerman. Ik vond ze plat (Gimmick uit 1989, Vals licht uit 1991), met een overdaad aan nietszeggende seks, of op z’n hoogst enigszins leesbaar (De buitenvrouw uit 1994). Zijn Boekenweekgeschenk Duel uit 2010 vond ik zelfs tenenkrommend om te lezen, vanwege zijn opschepperij over zijn vermeende kennis van hedendaagse moderne kunst. Ik miste bij al deze boeken diepgang, reflectie en noodzaak. Oppervlakkige puberlectuur, met een overdaad aan testosteron, zo kwam het op mij over. Net als de boeken van bijvoorbeeld een Ronald Giphart. Zo saai, ik kom daar niet doorheen.
Zijn vele optredens op tv vielen op doordat hij zichzelf vaak nogal nadrukkelijk centraal stelde. Een groot ego dat steeds bevestigd moest worden. Zo leek het mij.
Het is bekend dat hij dagelijks gedwongen was de strijd aan te gaan met zijn persoonlijke demonen. Er is van hem de uitspraak: een kunstenaar kent vijf seizoenen, winter, lente, zomer, herfst en depressie. In het jaar 2015 lukte het hem niet langer die depressies het hoofd te bieden. Ondanks dat hij had gezegd het nooit te zullen doen maakte hij in dat jaar een einde aan zijn leven.

Dat hij ook gedichten schreef, weten weinigen. Echt poëtisch zijn ze niet, meer verhalend dan gevoelvol spelend met de taal, maar in zijn laatste periode valt een verrassende en niet verwachte zoektocht op naar het wezenlijke. Zowel in zichzelf als in de wereld. Postuum kwam in 2016 de bundel ‘Wakend over God’ uit, 48 gedichten waarin de dichter zijn gevecht met God beschrijft en af en toe wanhopig probeert met Hem in gesprek te komen. Eén van deze is gedichten is het hierboven staande Contact.

De eerste strofe klinkt als het begin van een verhaal:

Iemand belt mij telkens op, zegt niets,
vaag hoor ik een verre ademtocht,
het kan de mijne zijn, maar ook die
van de ander, die hardnekkig zwijgt.
Ik leg weer op. Ben nu een man
die vreemde telefoontjes krijgt.

Het leest alledaags. De ik-figuur wordt gebeld door iemand die niets zegt. Maar wel een teken van leven toont, heel ver weg. Een verre ademtocht, staat er. Hoewel de twijfel meteen toeslaat. Hoort de ik-persoon niet zijn eigen adem? Of toch die van de ander? Niettemin, de ander zwijgt, hardnekkig zelfs, als om hem te pesten. De ik-persoon legt weer op. Wie hij dan nu zelf is? Ach, slechts een man die vreemde telefoontjes krijgt. Teruggekeerd tot de werkelijkheid die even vreemd als ontnuchterend is.

In de tweede strofe zoekt de ik-persoon verder. Het feit dat hij gebeld is laat hem niet los. Hij gaat op nader onderzoek uit.

De display toont een nummer
met de code van een land dat ik niet ken.
Ik toets terstond, een voicemail klinkt.
‘Hallo met God, Ik ben er niet.
Laat naam noch boodschap achter,
Ik bel nooit terug. Leef rustig verder,
wacht desnoods tot piep, maar zwijg.’


Een vreemd telefoontje met een nog vreemdere oorsprong. De code van het nummer wordt niet gekend. Het land waar vandaan is niet bekend. De ik-persoon wordt nieuwsgierig, belt terug. Er is geen direct contact, alleen een voicemail. De boodschap is dubbelzinnig en verwarrend: Hallo met God, ik ben er niet. Hij die altijd overal aanwezig is, geeft niet thuis.
Dan volgen drie sterke regels:

Laat naam noch boodschap achter,
Ik bel nooit terug. Leef rustig verder,
wacht desnoods tot piep, maar zwijg.

 

Het heeft geen zin om een boodschap achter te laten, God belt toch niet terug. Het voelt voor de ik-persoon als ontluisterend. Zoek het maar uit, leid je leven zoals jij dat wilt, maar verwacht niets van mij. Ik ben er wel, maar laat jou doodleuk stikken in je eigen leven. Zeg niets meer tot mij, maar zwijg. Laat alle hoop maar varen.

En toch, in de derde strofe lijkt er sprake te zijn van een opleving, een strohalmpje dat zich aandient.

Prompt word ik door de beller toch teruggebeld.
Weer hoor ik niets, hooguit die vage adem.
Ik ben de man die stil zijn hartslag telt.


Even is er de hoop. God belt terug. Maar helaas, wederom zegt hij niets. Wel een stilzwijgend teken van leven, een vage adem. Meer niet. De ik-persoon wordt wederom op zichzelf teruggeworpen. Hij is de man die stil zijn hartslag telt.
De ik-persoon geeft het nog niet op. Hij blijft contact zoeken, hij blijft hopen. Tegen beter weten in natuurlijk.

Ooit bel ik Hem terug en zeg dan
wél iets na de piep. Dat doe ik niet meteen.
Ik wacht tot ik een geheim nummer krijg.

Hij dekt zichzelf in. Zo makkelijk laat hij zich niet verleiden. Maar ooit belt hij Hem terug. De buitenwereld, die mag dit eigenlijk niet weten. Het moet geheim blijven. Slechts in anonimiteit wil hij zich opnieuw tot God wenden: Ik wacht tot ik een geheim nummer krijg.
De slotstrofe betekent het einde van zijn zoektocht, zijn laatste poging om contact te leggen met God, en andersom, het einde van zijn hoop dat God zijn leven alsnog binnentreedt.

Die dag is nu, contact is hier. Ik toets
het nummer in. Krijg geen gehoor. Hij was me
voor. Hij heeft mijn nummer ingesteld.

Het contact is er, in het nu. Hij weet nu hoe God te bereiken, hij toetst het nummer in. Maar helaas, geen gehoor. Te laat, God heeft inmiddels zelf het contact verbroken. God heeft maatregelen genomen en zijn nummer ingesteld, staat er. God is hiermee voorgoed onbereikbaar geworden. Het contact dat hij zoekt is definitief mislukt.