Hoofdbanner

Er is landschap, een traag oplopende vlakte met her en der
een rij rotsblokken, groot als koeien. Geen enkel sprietje groen
of een ander teken van leven. Elke stap schept zand in mijn schoenen.
Om de zoveel meter klop ik ze uit, veeg ik mijn voeten zandschoon.
De zon staat hoog aan de hemel, het is heet. Discomuziek

trommelt nog na in mijn oren, een gedruis van jewelste, een zogenaamd feest
waar alleen ik was uitgenodigd, vol lege vloeren, bonkende ritmes
van stuwend bloed, zenuwen op knappen, trillende vingers op de verkeerde
pianotoetsen. Vals waren jouw woorden waar alle toonaarden ontbraken,
harde stoten door eeltlagen van jaren her, terwijl jij zelf achter sluikse gordijnen,
om al te opzichtige grimassen te verbergen. Je lachte je tanden bloot, ha ja,
achter in je keel liggen de leugens voor het oprapen, als slangen kronkelen ze rond,
af en toe de kop opstekend, het gif in de ogen, toeslaand wanneer het jou uitkomt.

Vandaag de knop van vluchten op off gezet, mijn voeten afgetapet, al mijn tenen
binnenboord, er zou er eens eentje afgehakt worden. Ik nestel mij op de hoogste
rotsblok, overzie mijn leven en herken jouw gestalte in de verte,
een klimmende schaduw die steeds weer valt en opstaat, valt en opstaat.