Hoofdbanner

Een traag oplopende vlakte met her en der rotsblokken, groot
als koeien. Versteend is het leven hier. Om de zoveel meter
klop ik mijn schoenen uit, mijn zolen schoon. De zon kroont
zich aan de hemel, het is heet. Discomuziek trommelt nog na

in mijn oren, een gedruis van jewelste, een feest waar alleen ik 
was uitgenodigd, lege vloeren, bonkende ritmes en stuwend bloed,
zenuwen op knappen, trillende vingers op de verkeerde toetsen. 
Vals waren de woorden waar alle toonaarden ontbraken, resonerend
in eeltlagen van jaren her, terwijl achter sluikse gordijnen, natuurlijk,
om al te opzichtige grimassen te verbergen, lachte men zijn tanden 
bloot, achter in hun keel de leugens, als giftige slangen op de loer.

Vandaag de knop van vluchten op off gezet, mijn voeten afgetapet,
mijn tenen binnenboord, er zou er eens eentje worden afgehakt.
Bloed zal er niet stromen. Op de rug van het hoogste rotsblok 
herken ik de gestaltes, dichterbij komend vanachter de bergen, 
klimmende schaduwen die vallen en opstaan, vallen en opstaan.