Hoofdbanner

Het levensverhaal van Boeddha vertellen, in romanvorm. Dat stond Deepak Chopra voor ogen bij het schrijven van dit boek. Het was hem te doen om de mens Boeddha, om hem uit de mist van de tijd te halen, zoals hij dat omschrijft, om hem vlees en bloed te geven, terwijl zijn mysterie behouden blijft.

Het is een zeer leesbaar boek. Evenals het leven van Boeddha zelf, valt het boek in 3 delen uiteen.  Boeddha
Deel 1 handelt over de geboorte en de jeugd van prins Siddharta. Als zoon van een machtige koning wordt hij rond 560 voor Christus geboren in het Sakya-koninkrijk. Astrologen voorspellen hem bij de geboorte een grootse toekomst, want hij zal regeren over de "vier uiteinden van de wereld". Een week na de geboorte van prins Siddharta (Sanskriet voor Hij die alle verlangens bereikt heeft) overlijdt zijn moeder.
De koning voedt hem zeer beschermd op. Zo mag de jonge Siddharta niet buiten de paleismuren komen, waar armoede en ellende heerst. Hij groeit op binnen een streng kastensysteem, waarbij hijzelf de hoogste rang bekleedt. Niettemin heeft hij vriendschap met Channa, de zoon van een bediende. Om hem met een gelijkwaardig iemand op te laten trekken, laat de koning zijn neef Devadatta aan het hof overkomen. Deze jongeman is een paar jaar ouder dan Siddharta en in vrijwel alles zijn tegenpool. Waar Devadatta opvliegend en gewelddadig is, zoekt Siddharta steevast de harmonie en vrede. Dit zorgt voor een flink spanningsveld tussen de twee. Devadatta minacht Siddharta en ziet diens weigering om de fysieke strijd aan te gaan als een zwakte. Zo ook de koning zelf. Hij herkent zichzelf niet in zijn zoon en maakt zich zorgen of Siddharta wel ooit een volwaardig koning zal zijn. Op zijn achttiende verjaardag mag hij volgens de rituelen een vrouw uitzoeken. Eén meisje bevalt hem, hoewel ze verlegen is. Hijzelf ook, nauwelijks wetend hoe zich
in dit soort situaties te gedragen.
Maar zijn neef Devadatta ziet de opbloeiende romance en neemt wraak. In de nacht verkracht
en vermoordt hij haar, en begraaft haar in het bos. Siddharta is ontroostbaar en gaat naar haar
op zoek. Dat brengt hem, op weg naar haar geboortedorp waar ze misschien, denkt hij, verblijft, voor het eerst van zijn leven buiten de paleismuren. Wat hij ziet is een grote schok voor hem. De bittere armoede, de haat van de mensen naar hem toe, de weldoorvoede rijke prins in zijn prachtige gewaden. Hij begrijpt het niet.
Wanneer hij in een tweegevecht met Devadatta de overhand krijgt en op het punt staat zijn tegenstander de genadeklap uit te delen, zegt een stem binnenin hem: Doe afstand en wees vrij. Het verwart hem. Nu niet toeslaan zou de overwinning in een vernedering omzetten, niet alleen naar zijn krijgszuchtige vader toe, maar ook naar Devadatta zelf, die hem nog meer zal minachten. Maar de stem klinkt nogmaals: Doe afstand en wees vrij. Het is het begin van zijn behoefte aan ascese.

Deel twee handelt over Gautama de monnik. Er zijn 11 jaren verstreken, Siddharta is inmiddels getrouwd met Yashodhara en heeft met haar een zoontje. Siddharta voelt een sterke behoefte de wereld in al haar geledingen te kennen. Het paleisleven bevalt hem niet. Hij wil sannyasi worden, neemt afscheid van zijn vrouw en trekt de wereld in. Om afstand te kunnen doen van zijn verleden laat hij zich voortaan Gautama noemen.
Als monnik trekt hij door het leven, zonder enige bezittingen, afhankelijk van wat mensen hem te eten geven. Na verloop van tijd verkeert hij in gezelschap van vijf andere monniken. Ze brengen de dagen door in meditatie, in het proberen op te gaan in de leegte in zichzelf waar elk aards verlangen verdwenen is. Weken brengen ze zo door in de lotushouding, met slechts wat water in een nap naast zich om af en toe uit te drinken. Deze strengheid is de andere monniken te veel, de een na de ander haakt af. Wanneer ten slotte de laatste ook weggaat, zit Gautama nog maandenlang in dezelfde houding. Zijn lichaam vermagert en vermagert. Hij is nog nauwelijks aanwezig, zo in trance is hij, op het randje van de dood.

Doe afstand en wees vrij. Bezit niets. Geef alles. De wereld is een illusie. Karma, de draad van het leven, zal doorbroken worden. Maar de dood zal overwinnen, echter, er is één kans dat de rollen worden omgedraaid. Dat is, de dood eerst te doden. Er is geen andere weg, niet als je vrij wilt zijn. Angst is het voornaamste wapen van de dood. Laat de ergste marteling ervaren en de angst zal zijn greep verliezen.

Gautama wacht en wacht. Hij voelt dat hij bezig is elke vorm van lijden te overwinnen. Zijn lichaam ervaart geen pijn meer, er is enkel verlangen meer dat hem bindt. Als een eindeloze, kalme nacht omringt de stilte hem. Gautama besluit zijn ogen te openen. Hij ontwaakt, nauwelijks nog in staat zijn uitgeteerde lichaam te voelen. Hij is verlicht, tot Boeddha geworden, hetgeen betekent: hij die wakker is. 

Deel 3 handelt over het leven van Boeddha de verlichte, hoe hij op zijn tweeënveertigste terugkeert naar zijn vrouw en inmiddels groter geworden zoon, naar het paleis waar zelfs zijn vijandige neef Devadatta zich aan hem onderwerpt. Hoe hij door iedereen als een heilige wordt gezien, overal waar hij komt licht en vrede brengt. Hoe hij nog tot zijn tachtigste voortleeft en rondtrekt om zijn inzichten te verspreiden.

Meelevend, meeslepend, zo zou je het boek kunnen karakteriseren. Vooral menselijk ook, zoals Boeddha wordt neergezet, met zijn twijfels, zijn voortschrijdende inzichten, zijn vergeefse pogingen. In hoeverre het waarheidsgetrouw is, valt moeilijk te zeggen. Daarvoor is er te weinig overlevering en zijn er te veel mythes rondom de persoon Boeddha ontstaan.
In ieder geval doet Chopra aan die mythevorming niet mee. Dat is zijn verdienste. Hoewel, zijn nawoord bij dit geromantiseerde boek, waar hij uitlegt waar het boeddhisme voor staat, had niet gehoeven. Dat had de lezer zelf kunnen ontdekken.

Zelf moest ik al lezend vaak aan dat andere boek denken, over Franciscus van Assisi, van onze eigen Jean Dulieu, bekend van zijn creatie Paulus de boskabouter. Francesco, heet dat boek.
Eenzelfde verhaal, met een materieel rijke jeugd, het verlaten van het ouderlijk huis, het afstand doen van alle bezittingen, van alle aardse verlangens, het leiden van het leven van een monnik, de uiteindelijke verlichting.
Waarbij ik het boek over Franciscus misschien nog wel indrukwekkender vond, want dichterbij.