Hoofdbanner

De afstand van dek tot wal verbreedt,
verdiept, een gat van golven dat kolkt
zwaar in bloed. Stilstaan, tranen in ogen.

De reling, jij breeduit lachend, je zwaait
niet, kijkt dwars een andere kant. Afscheid
nemen was nooit je sterkste eigenschap.

Verstijfde uren, jouw gestalte verschijnt,
ik kan je nog net zien, achter de horizon
tast ik nog altijd naar je ronde lichaam,

proef ik je met mijn lispelende mond,
mis ik je tot op het bot. Raar, de spiegeling
van de maan op het schuimende water

maakt mij euforisch, ik kan er niets aan doen,
het terras vol lichtjes waar ik op mijn wenken
wordt bediend, de wandeling in de avond,

de promenade vol opgewonden mensen,
het vooruitzicht straks de nacht in te duiken,
met jou in een uiterst lichte omhelzing.