Hoofdbanner

Hieronder een artikel dat ik in een tamelijk ver verleden heb geschreven voor de Boekmanstichting. Aanleiding was een stuk van L.W. Nauta in het tijdschrift Kennis en methode.

De vroeger nog strikte scheiding tussen wetenschapsfilosofie en wetenschapssociologie wordt allengs vager. Was de wetenschapsfilosofie aanvankelijk een van voor logici, sinds Kuhn op de proppen kwam met zijn "De structuur van wetenschappelijke revoluties", weten we dat we de sociale aspecten van de wetenschap niet mogen verwaarlozen.
In dit artikel van Nauta wordt de relatie wetenschapsfilosofie-wetenschapssociologie besproken en tevens hoe ze elkaar kunnen helpen om tot een groei van kennis te komen.

De klassieke taakverdeling berust op twee verschillende factoren. De wetenschapsfilosofie verricht zuiver logisch onderzoek en is alleen geïnteresseerd in wetenschappelijke uitspraken. De wetenschapssociologie verricht empirisch onderzoek waarbij ze geïnteresseerd is in theorieën over het wetenschapsbedrijf. Dit zijn de intern-disciplinaire aspecten.
De zuiver exacte vakken worden als autonoom en cumulatief beschouwd, waardoor in navolging van Mannheim de wetenschapssociologie de interne ontwikkeling van deze vakken buiten beschouwing laat. Daar dit echter niet aan de aard van de vakken ligt maar aan de veronderstellingen van de onderzoekers kunnen deze factoren extern-ideologisch genoemd worden.
Nauta betwist deze klassieke taakverdeling en laat uitvoerig aan de hand van twee voorbeelden zien dar er een geleidelijke integratie van de wetenschapssociologie in de wetenschapsfilosofie aan het ontstaan is. Daarnaast pleit hij voor een, in plaats van het gescheiden optrekken, intensieve samenwerking tussen de twee vakken, waarbij om progressie te vertonen, concurrerende onderzoeksprogramma's moeten worden bedacht die uiteindelijk moeten leiden tot het oplossen van de sociale misstanden in de wereld.
Hoe een dergelijke politieke theorie er dan uit komt te zien geeft hij in dit, zoals hij het zelf noemt, verkennend betoog niet aan.
In het eerste voorbeeld laat hij de controverse zien tussen de socioloog Merton en de natuurkundige Kuhn aan de hand van een opstel over meermansontdekkingen van de eerste. Nauta komt tot de conclusie dat deze twee minder ver van elkaar afstaan dan algemeen gedacht wordt. Hij signaleert tevens dat het werk van Merton, ondanks de hedendaagse kritiek, nog lang niet verouderd is.
In het tweede voorbeeld laat hij zien dat een goede samenwerking tussen de twee vakken grote vooruitgang kan betekenen. Als voorbeeld van zo'n samenwerkingsverband nemt hij de Starnberg-groep onder de loep, een groep waarin wetenschapsfilosofen, wetenschapssociologen en wetenschapshistorici samenwerken aan één onderzoeksprogramma. Door deze groep, die voornamelijk beïnvloed wordt door Toulmin, Lakatos en Kuhn, is een genuanceerder kijk op onderzoeksprocessen ontstaan dan voorheen het geval was. De vroeger aangenomen stelling van een langs interne weg accumulerende en dus autonome wetenschap wordt thans sterk gerelativeerd. Men spreekt nu van de relatieve autonomie van de wetenschap.
De belangrijkste conclusie van de Starnberg-groep is dat externe doeleinden bepalend kunnen worden voor de intern-theoretische ontwikkeling en de omzetting van die maatschappelijke doeleinden in intern theoretische directieven zal dan vaak via technologische processen verlopen.

Nauta laat vooral aan de hand van het tweede voorbeeld zien dat samenwerking tussen de twee vakken het meest vruchtbaar is voor allebei, maar mijns inziens vergaloppeert hij zich wanneer hij uit die samenwerking politieke theorieën wil destilleren om zodoende macroproblemen op te lossen. Dit typisch sociologisch uitgangspunt is volgens mij veel te hoog gegrepen en moet wetenschappelijk gezien dan ook niet helemaal serieus genomen worden.
Behoudens de wat opportunistische eindconclusie is het een goed, duidelijk en zeker voor geïnteresseerden interessant artikel, zoals de meeste artikelen uit het tijdschrift Kennis en methode dat zijn.