Hoofdbanner

Eén van de bijzondere dingen in het leven is het kunnen kijken over de grenzen van de eigen leefwereld heen. Als wetenschapper betekent dit: meningen en visies die buiten je eigen paradigma* vallen, niet direct afwijzen, maar ze, zolang je ze niet doorgrondt, eerst de ruimte geven om er te mogen zijn. Later kun je er nog van alles mee doen.

De sterrenkunde, zoals onderwezen aan de universiteiten, ontwikkelt zich in razend tempo. Het heelal wordt, volgens de huidige stand van zaken, gezien als uitdijend en ontzettend groot en leeg, met heel af en toe wat plukjes materie, meest in de vorm van sterren en planeten. Die sterren zijn in feite zonnen zoals onze zon, die eens zijn ontstaan en, zodra hun brandstof op is, weer uit zullen doven. Het zijn de letterlijke lichtpunten in een verdere donkere en immens lege ruimte.

Heel vroeger, zo'n 3 tot 4000 voor Christus, had men een volledig ander beeld van de ruimte. Voor de mens van toen was de aarde de duisternis waarop men noodlottigerwijs moest leven. De werkelijke wereld voor de mens was de hemel, waar het een en al lichtzee was. Daar stamde men van af en daar ging men na de dood weer naar toe. Deze beleving zie je terug in veel sprookjes (die veelal in deze oertijd zijn ontstaan). De (goede) vader staat voor de hemel; de aarde is een soort van strafplaats voor de hemelse mens, waar het louter lijden is. De aarde is niet de echte moeder, maar de stiefmoeder. Stiefmoeder aarde.
Men beleefde de aarde gescheiden van de hemel door een groot uitspansel. Achter dat uitspansel bevond zich de lichtende hemel. Echter, er zaten gaten in dat uitspansel waar doorheen het licht van de hemel als door kleine kiertjes heen kon schijnen. Deze gaten noemde men sterren.

Je ziet, een volledig andere beleving van de werkelijkheid. Wij in onze moderne tijd, opgevoed met het wetenschappelijke wereldbeeld, verwerpen de visie en beleving van vroeger. Die passen duidelijk niet in ons model. Sterker, we lachen om de naïviteit van de vroegere mens. We zijn inmiddels zoveel verder. Denken we.
Andersom, de vroegere mens zou niets begrijpen van ons uitgeklede wereldbeeld. Hij zou de verbondenheid van alles met alles missen. Hij mist de geestelijke rijkdom, het opgaan in een groter geheel. Hij zou ons armzalig vinden en voor gek verklaren.

Overigens, we zitten nog altijd in de overgang van dit ouderwetse beleven naar het nieuwe wetenschappelijke denken. Veel meer dan we ons bewust zijn. De filosoof Kant heeft er al op gewezen. Bijvoorbeeld, in ons taalgebruik. Wanneer de dag ten einde loopt zeggen we: de zon gaat onder. Dat is onze beleving, dat de zon ondergaat.
Wetenschappelijk gezien is dit onzin. De zon gaat niet onder, maar de aarde draait om haar as en dus van de zon weg. De zon zelf staat stil. Met ons hoofd, na enig nadenken, weten we dit donders goed. Toch zegt niemand dit.
Kennelijk is onze directe (wetenschappelijk foutieve) beleving sterker dan de kennis die wij op school geleerd hebben. Opmerkelijk. Het zegt iets over de mensheidsontwikkeling van dit moment.

Met het voortschrijdende belang van de wetenschap in ons dagelijks leven zal het, schat ik, nog een paar eeuwen duren voordat ook deze beleving eruit gesleten is. Zodat we allen in de verre toekomst zullen zeggen zodra er weer een nieuwe dag is aangebroken: ha, de aarde is naar de zon toegedraaid. En niet: ha, de zon is opgekomen. En dan 's avonds met onze geliefde niet langer genieten van een prachtige zonsondergang. Nee, het is dan een prachtige aarde-van-de-zon-af-draaiing. Hoe romantisch.  


* Voor een duidelijke uiteenzetting van het begrip paradigma, lees: Thomas Kuhn - De structuur van wetenschappelijke revoluties (1962)