Hoofdbanner

In de natuurwetenschappen zijn er wiskundige wetten die binnen het bestaande model als algemeen aanvaarde waarheid gelden. Deze wetten zijn falsifieerbaar, dat wil zeggen, experimenteel kan aangetoond worden dat ze, zolang het tegendeel niet bewezen wordt, niet verworpen hoeven te worden. Tot het moment dat dat wel het geval is. Zodra de theorie maar één keer aantoonbaar niet waar blijkt te zijn, zal het bestaande model omgevormd of veranderd moeten worden. Ofwel, in de woorden van Thomas Kuhn, er zal een paradigma-shift optreden. Een nieuw model wordt gecreëerd, waarbinnen de nieuwe resultaten wèl passen. In het algemeen geldt binnen de natuurwetenschap: er is eenduidigheid, de theorie is waar of niet waar. Tot zo lang het duurt.
Dit soort denken zou je binair kunnen noemen, het is een 0 (niet waar) of een 1 (wel waar). Het is niet gek dat als uitvloeisel van deze wetenschappelijke manier van denken de computer uiteindelijk zijn intrede heeft gedaan. Het past binnen onze manier van omgaan met het waarnemen van de uiterlijke ‘waarheid’.
Dit zorgvuldig en systematisch ‘kijken naar buitenkanten’ heeft ons technisch gezien grote successen gebracht. We vliegen binnen een paar uur naar Spanje, we halen met onze mobieltjes de hele wereld in één seconde naar binnen, ongeacht de afstanden, zien voetbalwedstrijden op tv etc. En de techniek schrijdt voort, het is een niet te stoppen ontwikkeling. Deze manier van naar de wereld kijken heeft ook iets schoons in zich, het raakt niet gauw vertroebeld door emoties of andere herkenbaar menselijke eigenschappen. Dit soort denken draagt iets zuivers in zich.

Maar let wel, dit binaire denken gaat op voor het omgaan met alles wat uit materie bestaat. Met als basis, de atomen en moleculen waaruit die materie bestaat. Ik noem dit zelf ‘dode’ materie, als tegenhanger van al hetgeen ‘levend’ is. Dood in die zin dat ze niet in staat is zichzelf voort te planten, in tegenstelling tot al wat levend is. Dat tekent mijns inziens het levende, dat het zich kan voortzetten in een volgende generatie. Het is belangrijk dit onderscheid te maken, zeker wanneer we deze manier van wetenschappelijk denken op de mens en zijn gedrag willen toepassen. De mens is levend en valt in een andere categorie dan alleen maar bestaand uit atomen en moleculen.

Waar de natuurwetenschappen zich kenbaar maken in wiskundige formules die te allen tijde op hun waarheid getoetst kunnen worden, maakt de 'levende' mens gebruik van taal om te kunnen communiceren. En taal laat zich niet eenduidig vastleggen. Het ene woord wordt door de een anders geïnterpreteerd dan door de ander. Dat soort al gauw voor misverstanden of zelfs ruzies. Taal is levend, verandert steeds van betekenis, er komen nieuwe woorden bij, er verdwijnen oude. De connotatie van veel woorden verandert ook in de loop der tijd. Taal is steeds in ontwikkeling.  
Dat maakt het moeilijk om met taal iets als ‘de waarheid’ te benoemen of uit te spreken. Ook al hebben veel filosofen dit geprobeerd. Lees de boeken er maar op na, de ene filosoof is vaak nog stelliger dan de ander om de eigen stellingen als waarheid te poneren. Ik denk, dus ik ben, dat soort dingen. Eerlijker is het te bekennen dat zoiets niet mogelijk is, niet in de taal. Taal is mensgebonden, zou je kunnen zeggen. En niet universeel, zoals de wiskundige formules in de natuurwetenschappen.
De wetenschap beschrijft de ‘buitenkanten van de wereld’, taal bedient zich van de ‘binnenwereld van de contact zoekende mens’.

Binnen de taal, het gereedschap van de mens om met elkaar in verbinding te kunnen staan, gelden andere uitgangspunten dan binnen de natuurwetenschap. Men zal voorzichtiger met de term ‘waarheid’ om moeten gaan. Dat de waarheid in de menselijke beleving in de praktijk niet eenduidig is, blijkt uit onderstaande afbeelding.

   This is true


Beide personen kijken naar hetzelfde voorwerp, beiden vanuit een verschillende invalshoek. Het zal duidelijk zijn dat beiden evenveel recht hebben om te beweren dat zij en alleen zij gelijk hebben. De kunst is nu dat een van beide partijen (of allebei) durf te erkennen dat de ander misschien een eigen waarheid ervaart, haaks staand op de eigen waarheid. Ofwel, durf te twijfelen aan je eigen waarneming en geef ruimte aan de mening van de ander, ook al spreken jouw waargenomen feiten dit (voorlopig) tegen.

De filosoof die zich met dit soort waarheidsbevindingen diepgaand heeft bezig gehouden is Friedrich Nietzsche (1844-1900). Zijn uitgangspunt bij elk voorkomend filosofisch probleem was 'het leven zelf'. Wanneer is iets scheppend, verheft het de mens? Bijna elke gedachte of ingeving die hij had vervatte hij in een aforisme. Deze kun je opvatten als een soort oprisping van gedachten, alle kanten opgaand, zonder al te veel structuur, als kenmerk van het leven zelf. Het leven is vloeiend, niet eenduidig, niet vast te leggen ook, speelde zich af in het nu. Dionysisch, noemde Nietzsche dat. Hij had om die reden niet veel op met de in die tijd opkomende natuurwetenschap. Die was hem te kil en te ver weg (te apollinisch). Ook met politiek hield hij zich niet bezig. Hij was filoloog, taalkundige. Meer dichter dan wetenschapper. Voor hem was filosofie vooral persoonsgebonden. Als eerste filosoof bracht hij daarmee de psychologie de filosofie binnen.
Voor Nietzsche kon de waarheid nooit in taal uitgedrukt worden. Taal is iets van levende mensen. Dat was de reden dat hij bij voorkeur gebruik maakte van paradoxen, schijnbare tegenstrijdigheden. Waar hij een bepaalde toestand bijvoorbeeld ‘wit’ noemde (bij wijze van spreken), lag in een volgende regel het begrip ‘zwart’ al op de loer. Dat maakt zijn filosofie voor echte waarheidszoekers natuurlijk ongrijpbaar. De eenduidigheid is immers ver te zoeken. Vandaar dat Nietzsche bij velen te boek staat als een irrationalist.
Maar dichters zijn ook irrationalisten. “Alleen de dichters weten wat zij niet weten”, luidt de beginzin van het gedicht Credo van Hans Andreus. Precies, dichters hebben het vermogen ‘achter’ de uiterlijke werkelijkheid te kijken. Dat maakt hen tot dichter. Kunst in het algemeen beschikt over hetzelfde vermogen. Ons verstand haakt af wanneer we bijvoorbeeld naar een schilderij van Van Gogh of Vermeer kijken. We raken in vervoering, worden opgetild uit de gewone alledaagse werkelijkheid en beleven een ander soort aanwezig zijn. Alsof we een stukje van de aarde opstijgen, van de ratio worden weggevoerd. Ook muziek en literatuur kan diezelfde beleving geven. Zelfs het ervaren van de soms overweldigende natuur. We zitten dan middenin ‘het levende’ van onszelf, juist niet in ons verstand.

In navolging van Nietzsche schreef Menno ter Braak (1902-1940), een schrijver wiens scherpzinnigheid ik persoonlijk zeer bewonder*, over het tweekoppige monster binnen de taal. Als het mythische dier Amphisbaena, een reptiel dat op de plaats van zijn staart ook een kop had en in twee richtingen tegelijk liep. Waar in een aforisme ernst wordt uitgesproken, dient de andere kop van het beest vrolijkheid te zijn. Als in een paradox, ernst en luim in één. De werkelijkheid is nooit eenduidig, heeft altijd twee uiteinden. Waar licht is, valt ook schaduw, zei Goethe al. Binnen deze uitersten leven wij, proberen wij steeds weer evenwicht te zoeken. De ene waarmening voor waar aannemen, maakt blind voor andere mogelijkheden. Vergelijk dit met een dagboekaantekening van Franz Kafka, door Ter Braak aangehaald: ‘In deze tegenspraak, en alleen in een tegenspraak, kan ik leven”.
Ter Braak, in zijn eigen woorden, “alleen paradoxen zijn in staat de hogere soort van waarheid te bereiken die voorbij de rede ligt en die leven en denken weer tot een eenheid brengt.”

Hiermee verklaart Ter Braak, net als Nietzsche (en later met instemming aangehaald door Heidegger) "dat de kunst meer waard is dan de "waarheid" ". Wie steeds verder rationeel doorredeneert over de betekenis van woorden zal merken dat alles dood slaat, de wereld laat zich niet met het verstand in een grammaticaal systeem vangen. Ieder begrip draagt van nature het tegendeel in zich, juist omdat we levende mensen zijn en we vanuit de eigen psychologie de wereld in kijken. Waarheid en onwaarheid liggen in elkaars verlengde, evenals zijn en niet-zijn. Juist omdat de mens meer is dan een klompje atomen en moleculen.
Vergelijk nogmaals de afbeelding hierboven. De waarheid zoeken of denken te ervaren is mensenwerk. Ze is vaak al te menselijk. Waarheid is iets van de natuurwetenschappen, van de wereld van atomen en moleculen. Ofwel, van de wereld van de 'dode' materie. Kunst blijkt de enige vorm te zijn die zich hierboven verheft. Kunst is het wat mensen 'levend' maakt. Ze treedt buiten de rationele paden, ze verbindt, ze maakt ons tot mens. Met al onze onvolkomenheden van dien. 

En toch, kunst heeft het moeilijk in onze tijd. De aandacht van mensen lijkt meer uit te gaan naar geld verdienen, status, macht en ander uiterlijk vertoon. Het is vooral genieten geblazen, met drank en pilletjes, het ene feest na het andere, af en toe wat plastische chrirurgie om er nog beter en vooral jonger uit te zien, een dag niet gelachen is een dag niet geleefd. Alle successen worden als het even kan geëtaleerd op Facebook of Instagram. Want de wereld mag weten hoe gelukkig en succesvol we zijn. Ogenschijnlijk gelukkig en uiterlijk succesvol, want het is natuurlijk een facade. Onder al die schijn zit vaak een wereld van leegheid en zinloosheid. 
De machtsstructuren in onze tijd, de multinationals, de farmaceutische industrie en andere grootgeldverdieners, varen wel bij dit leven in een schijnwereld. Ze verdienen er veel geld mee. Dat is hun enige doelstelling, daarvoor bestaan ze. Ze zullen deze hedonistische levensstijl juist promoten middels gelikte reclames en andere lokkertjes. Leef erop los, je leeft maar één keer, geef vooral je geld uit. Aan kunst kunnen ze niet verdienen. Die wordt daarom weggezet als linkse hobby. Mensen uit de kunstsector moeten zichzelf maar bedruipen, is de algemeen geldende gedachte, de marktwerking moet ook hier gelden. Je kunt zelfs zeggen, kunst en cultuur, en vooral de mensen die zich hiermee bezig houden, de kunstenaars, worden gezien als iets minderwaardigs. Daar laat je je niet mee in.

Pas geleden stond er een artikel is De Speld: "Archeologen stuiten tijdens renovatie Tweede Kamer op bijzondere vondst: de cultuursector". Het is natuurlijk een grap, maar wel illustratief voor hoe de politiek omgaat met kunst en cultuur. Ze zit in het verdomhoekje, zeker nadat Halbe Zijltra van de VVD als staatssecretaris van OCW in 2010 kunst min of meer als een inferieure bezigheid wegzette waarop best wel flink bezuinigd (maar liefst 25 %) kon worden. Politiek is vooral opportunisme. Korte termijn, geld binnenhalen, daar draait het om. Kunst past daar niet in. Liever een wereld waarin iedereen zich te barsten rent om nog enigszins het hoofd boven water te houden, met alle uitval en burnouts van dien, dan een wereld waarin menselijke waarden en kwaliteiten aan bod komen. Kunst is het enige wat ons mensen met elkaar verbindt en wat ons tegelijkertijd verheft. Leren ons grote filosofen als Nietzsche en Heidegger. Kunst geeft zin aan ons bestaan. Het is het cement van de wereld. Zonder kunst stort onze samenleving in elkaar.   

* Zijn boek Politicus zonder partij (uit 1934) dat ik las in mijn studententijd, was mij op het lijf geschreven. Bij elke zin had ik het gevoel alsof dit boek specifiek voor mij alleen bestemd was, zo dichtbij kwam het bij mijn eigen ideeën en inzichten.