Hoofdbanner

In de jaren (1979 tot 1990) dat ik voor de Boekmanstichting artikelen schreef, was dat meestal over wetenschapsfilosofie. In eerste instantie was het boek van Herman Koningsveld, Het verschijnsel wetenschap, mijn leidraad hierin. Herman Koningsveld gaf in die tijd het vak wetenschapsfilosofie aan de Landbouw Hogeschool Wageningen, tegenwoordig Universiteit Wageningen geheten. Via studenten die les van hem hadden, hoorde ik van hem.
In die tijd volgde ik soms ook lessen van Johan Goudsblom op de Oudemanhuispoort. Ik was nogal onder de indruk van zijn boek Cultuur en nihilisme dat hoofdzakelijk over Nietzsche handelde. Maar zijn colleges waren saai, hijzelf was weinig spontaan, was strak in zijn voorkomen en niet de wijze man die ik hoopte te zien. Ook volgde ik daar heel wat lessen van professor Dettier, een bevlogen Vlaamse man vol humor en weidse gebaren. Hij sprak veel over het existentialisme van Sartre en Camus, de Frankfurter Schule en over sociologen als Adorno en Benjamin.  

Maar goed, Het verschijnsel wetenschap was dus mijn eerste leidraad in mijn zoektocht naar het wezen van de wetenschap. Heel duidelijk worden in het boek de vier belangrijkste wetenschapsfilosofen op een rijtje gezet, te weten Karl Popper met zijn falsificeerbaarheid (criteria die aan kunnen geven op grond waarvan een theorie zou moeten worden verworpen), Thomas Kuhn met zijn paradigma-theorie en wetenschappelijke revoluties, Imre Lakatos die een soort middenpositie inneemt tussen Popper en Kuhn, en ten slotte Paul Feyerabend die in feite als een soort van anarchist elke theorie of methode op losse schroeven zet.

In de jaren twintig van de vorige eeuw ontstond het begrip wetenschapsfilosofie. Een gezelschap dat zich de Wiener Kreis noemde publiceerde een manifest handelende hieover, met een sterk logisch positivistische karakter. Hoewel de eenheid van deze groep al vrij snel verbrokkelde (door o.a. de Tweede Wereldoorlog) is de invloed van de Wiener Kreis nu nog altijd groot: het huidige standaardbeeld omtrent wetenschapsfilosofie is een verdere ontwikkeling van de theorieën die door hen zijn opgesteld.

Dit huidige standaardbeeld gaat ervan uit dat wetenschap getypeerd wordt door zijn rationaliteit, dat theorievorming wordt geleid door logica en feiten, dat er een objectiviteit en een waardenvrijheid van de wetenschap bestaat en dat feiten het resultaat zijn van onvooringenomen waarneming.
Allerwegen komt er echter steeds meer kritiek op het standaardbeeld.  
Popper heeft fundamentele kritiek op het idee van de onvooringenomen waarneming en de autonomie van de feiten. Volgens hem bestaat er geen onafhankelijke basis van feiten. Alle waarnemingen vinden plaats onder invloed van bepaalde theorieën vooraf, m.a.w. alle feiten zijn theorie-afhankelijk. Door de verwerping van de onafhankelijke, empirische basis moet volgens Popper een basis door de wetenschappers zelf ontworpen worden om althans de rationaliteit te kunnen handhaven. Dus de natuurbasis wordt vervangen door een cultuurbasis. Popper rechtvaardigt deze irrationele stap als zijnde de enige manier om tot een groei van kennis te komen en dit laatste is nodig om d.m.v. theorievorming maatschappelijke en praktische problemen op te lossen.

Kuhn gaat verder in zijn kritiek op het standaardbeeld. Hij valt de rationaliteit fel aan door te wijzen op sociale en psychologische factoren bij de theorievorming. Hij introduceert het begrip paradigma, d.i. te vergelijken met een groep van wetenschapsmensen met een gemeenschappelijke achtergrond. Onderscheiden worden in een paradigma het theorieënstelsel (de groepsdiscipline), de metafysica (de filosofische vooronderstellingen), de waarden (hoe moet het onderzoek verricht worden), en de exempels (voorbeelden die theorie met praktijk verbinden).
Een groep wetenschappers zal volgens Kuhn deze vier elementen kritiekloos aanvaarden en slechts opereren binnen de grondlijnen van dit paradigma. Het onderzoek zal dan bestaan uit het completeren van het paradigma.

Lakatos staat met zijn kritiek ongeveer tussen Popper en Kuhn in. Hij probeert de rationaliteit van Popper te verbinden met Kuhn's sociologische benadering van de wetenschap. Hij vervangt het begrip paradigma door research-programma. Volgens hem moet zo'n research-programma progressie vertonen. Indien dit niet gebeurt, degenereert het en wordt het overvleugeld door concurrerende programma's. De theorie wordt dan gefalsificeerd (weerlegd) d.m.v. eliminatie. Er moet daartoe echter wel een alternatief voorhanden zijn. Eliminatie van een theorie en tevens aanvaarding van een alternatief hangt af van het empirisch bevestigd worden van de voorspelde nieuwe feiten. Tussen de voorspelling van nieuwe feiten en de empirische bevestiging hiervan kan echter een groot tijdsverloop zitten. 
De theorieën van Lakatos kunnen gezien worden als en verfijning en uitbreiding en tevens samenbundeling van de theorieën van Popper en Kuhn.

Feyerabend gelooft heilig in het anarchisme van de wetenschap en zegt dat er geen wetenschappelijke methode bestaat. Hij verzet zich vooral tegen het sterk dogmatische karakter van de theorieën van Kuhn. Onder alle omstandigheden is er slechts één principe hanteerbaar: "Alles is mogelijk". Wetenschap beoefenen bestaat uit zowel rationaliteit als fantasie. Gepleit wordt voor en veelheid van methodologieën in een pluralistische wetenschap.

Het overzicht is duidelijk en zeer leesbaar. In mijn drift tot verbreiding van kennis en inzichten heb ik dit boek een keer uitgeleend en, je raadt het al, nooit meer teruggezien. Ik mis het nog steeds. Soms overweeg ik het opnieuw aan te schaffen, maar er zijn nog zo veel andere boeken die op mijn verlanglijstje staan. Later, denk ik dan.
Desondanks blijft dit boek mij dierbaar, vanwege het heldere overzicht, de nieuwe wereld die toen voor mij openging.