Hoofdbanner

Kerstmis is zo ongeveer het bekendste jaarfeest ter wereld. Bijna overal wordt het gevierd, binnenshuis, op het werk, in de media. Zelfs oorlogen worden voor even onderbroken, bestanden in acht genomen, om de ‘vrede op aarde’ neer te laten dalen. Kennelijk bevat Kerstmis een symboliek en inhoud die algemeen worden herkend. Het is ook zo’n ‘innerlijk’ feest, heel direct op ons inwerkend. Het geeft een gevoel van stilte, niet meer praten, niet meer denken. Een intens meebewegen op de golven licht die bij ons binnenstromen.

Kijken we naar de oorsprong van het kerstfeest, dan zien we dat de datum van 25 december pas in de vierde eeuw na Christus werd vastgesteld. Voor die tijd werd Kerstmis door de christenen niet of nauwelijks gevierd. Pasen was toen het belangrijkste feest, voor veel gelovigen overigens nu nog.
Wat voor die tijd wel op 25 december werd gevierd was het feest van de Romeinen, Sol Invictus, de onoverwinnelijke zon. Andere culturen kenden het feest van Ra (de Egyptenaren), van Helios (de Grieken) of het Winterzonnewendefeest (de Germanen).

Vroeger beleefde men de natuur als bezield. Als een groot in- en uitademen waar men tot in het fysieke aan was overgeleverd. In de winter trok de natuur zich terug, was ze dood aan de oppervlakte. Maar onder die oppervlakte leefden hoop en verwachting, samengebald in de kiemkracht van het zaad. Dit beleefde de mens van toen intens. Even intens ervoer hij dat er tijdens de winterzonnewende een omwenteling plaatsvindt. Voor het eerst is er sprake van een toenemende hoeveelheid licht overdag. De kracht van de zon neemt toe, de duisternis wordt minder.

Deze symboliek is door de katholieke kerk aangegrepen om de viering van de geboorte van Jezus op 25 december plaats te laten vinden. Het past precies in het ritme van de natuur, het licht dat in de diepste duisternis geboren wordt.
Om die geboorte bijzonder te laten lijken zijn er door de kerk verschillende elementen aan toegevoegd, zoals de maagdelijkheid van Maria, de moeder van Jezus. Daar is in de oorspronkelijke bronnen geen sprake van. Verder beschrijven in het Nieuwe Testament twee van de vier evangelies de geboorte van Jezus, het evangelie van Lucas en dat van Mattheüs. Ook deze zijn, in de vorm die wij nu kennen, pas later ontstaan.[1] Niettemin dragen ze beide een diepere wijsheid in zich.
Ze zijn nogal verschillend, zowel in verhaal als toonzetting. Het Lucasevangelie is poëtisch van aard, lieflijk. Er komen herders in voor, het kindje wordt geboren in een stal, door engelen omgeven. Het Mattheüsevangelie herbergt vooral voornaamheid, spanning en dramatiek. Voornaamheid door het bezoek en het offer van de drie koningen, spanning en dramatiek door de dreiging van Herodes om het kind te laten doden. Jozef en Maria moeten hierdoor zelfs naar Egypte vluchten. De tegenstellingen vallen op. Aan de ene kant de plaatselijke herders en aan de andere kant de van ver gekomen koningen die getuigen zijn. Over de betekenis hiervan straks meer.

Terug naar de overwinning van het licht, die in oude culturen al werd gevierd en in het kerstfeest zijn uiteindelijke vorm kreeg. Het is de symboliek van de zon ten opzichte van die van de aarde die in deze periode scherp voelbaar wordt. Er is sprake van een omslagpunt. De kracht van de zon wordt sterker, ze beweegt weer onze richting op.
Wat de zon kenmerkt is haar zuiverheid, kun je zeggen. Ze straalt ononderbroken, is het middelpunt van alle bewegingen om haar heen. Deze bewegingen van de planeten zijn  van een wiskundige perfectie. Ze herhalen zich zonder een seconde afwijking ten opzichte van vorige rondgangen. Zoals de sterrenkundige Vincent Icke tijdens een lezing eens opmerkte: ‘De rondgang van de planeten rond de zon is als een spoorboekje, met dat verschil dat hier wel alles precies op tijd rijdt.’[2]
Tegenover de statische harmonie die de zon zo kenmerkt, staat de wispelturige aardse mens. Er zijn verschillende ritmes in de mens te herkennen, zoals die van de polsslag, de ademhaling en de spijsvertering. Deze zijn nog redelijk constant. Maar verder is het onregelmatigheid troef. Hartstochten, driften en begeerten, we schieten alle kanten op. We oordelen, veroordelen, twijfelen. Er is angst: voor het leven, voor de dood. We zijn dwaallichten in de aardse duisternis.
Die chaos lijkt in de moderne, westerse wereld alleen maar toe te nemen. Door te werken in ploegendiensten wordt ons dag- en nachtritme verstoord, twee keer per jaar wordt de klok verzet in verband met de overgang van zomertijd naar wintertijd en andersom, er is de vakantiespreiding waardoor schoolvakanties om de zoveel jaar in een andere periode vallen, er is het steeds drukker wordende verkeer, het ontbreken van stilte op welke plek dan ook in Nederland, er is een overmaat aan kunstlicht, aan techniek die ons steeds verder van de levende natuur verwijdert.

Zo vieren veel mensen ook Kerstmis. In hoog tempo met overvloedige maaltijden en cadeaus onder de kerstboom. Maar er is bij iedereen een onderstroom aanwezig. Dat voelen we, dat weten we. Dat brengt ons met Kerstmis samen. Er is een diepgeworteld verlangen om één met anderen te zijn. Dat willen wij vieren vanuit de kiem van licht in onszelf, vanuit onze innerlijke zon. Die brandt altijd, als een soort van waakvlam, ondanks onze wereldse beslommeringen. Ze is van eeuwigheidswaarde.

We kunnen die innerlijke zon als spiegelbeeld zien van de uiterlijke zon. Deze laatste zet elke seconde massa’s waterstof om in het relatief lichtere helium. Er verdwijnt materie! Deze verdwijnende materie wordt omgezet in licht en warmte. Wat een omwerking vindt daar plaats. Materie, voor ons op aarde de basis van het leven, wordt daar in gigantische hoeveelheden getransformeerd tot energie. Energie in de vorm van licht en warmte. Je kunt dit zien als voorbeeld van waar wij toe in staat zijn. Innerlijk kunnen wij het materiële overstijgen door op geestelijk niveau hetzelfde te doen als wat de zon uiterlijk doet.

Dat werpt een nieuw licht op het Lucasevangelie. De geboorte daar aanbeden is de herinnering aan onze eigen kiem van licht. Die kiem van licht is doortrokken met naïeve zuiverheid. We voelen haar aanwezigheid, soms vaag, soms helderder, soms helemaal niet. We kunnen haar niet huisvesten, ze past niet in de wereld. Ze is te rein, te onschuldig voor de aardse werkelijkheid. Als beeld: er is geen herberg waarin ze kan verblijven. Alleen op een plek ontdaan van alle uiterlijkheden is ze te vinden. In de diepste eenvoud, die van een stal, in een voederbak voor dieren, daarin ligt als beeld ons allereerste beginsel.

Die kiem van licht is in staat onze gevangenschap in materie te ‘verbranden’. We kunnen dit lichtbeginsel in onszelf herkennen door ons open te stellen voor het licht dat wil binnenstromen. Dat is er altijd, maar tijdens Kerstmis sterker dan anders voelbaar. Duisternis roept behoefte aan licht op. In het donkerste jaargetijde, tijdens de kerstperiode, stellen wij ons het meest open voor het licht. We verlangen ernaar. Daarom ook steken we kaarsen op. Wanneer het ons lukt om in die speciale serene innerlijke rust te komen die het kerstfeest zo kenmerkt, dan ervaren we dat in ons binnenste iets oplicht, een behoefte aan vrede die ons met anderen verbindt. Datgene wat oplicht, is onze kiem van licht.

Zo vieren we met Kerstmis in feite de geboorte van onszelf: de herinnering dat wij uit licht zijn voortgekomen, als innerlijke afspiegeling van een uiterlijke zon. Diep van binnen dragen wij de zuiverheid van diezelfde zon in ons. Het paradijs, de ultieme vrede, ze ligt in ons besloten. Dat raakt ons, dat herkennen we als een diep bewaard geheim.

Aristoteles schreef al dat een kiem aan al het levende ten grondslag ligt. Zo kun je je in het zaad van een eikel de complete eikenboom voorstellen. De oervorm is er, het moet in de wereld van regen, wind, zon en seizoenen alleen nog tot ontwikkeling, tot wasdom komen.
Dit doortrekkend kunnen we het licht in onszelf, dat we tijdens het kerstfeest wellicht sterker dan anders aanvoelen, als een oervorm van onszelf beschouwen. Eenmaal in een verre toekomst tot wasdom gekomen zal dit innerlijke licht zich in de buitenwereld manifesteren als begrip en liefde voor de medemens. Er wordt wel gezegd dat alleen diegene die zich volledig in de noden en behoeften van de ander kan verplaatsen, mens is. Als het zover is, zal er vrede zijn, harmonie met onszelf en onze omgeving. We hebben ons persoonlijk lichtbegin dan omgevormd tot liefde voor onze medemens. Als beeld: we zijn koning, heerser over onszelf, dienstbaar aan de wereld.
Dit is wat het Mattheüsevangelie vertelt. De hoop en verwachting dat eens de koning in ons geboren zal worden. Waarna we, ver weg in de toekomst, opgenomen worden in de wereld, een huis hebben om in te wonen, een koninkrijk zelfs.

In de twee evangelies komen zo de twee polen van de mensheid tot elkaar. De zuiverheid, de schoonheid van onze kiem van licht voegt zich bij de rijkdom van de volle wijsheid waartoe wij allen, ver weg in de toekomst, zijn voorbestemd. Volgens de legenden is de Jezus uit het Lucasevangelie in de nacht van 24 op 25 december geboren, de zogenaamde Heilige Nacht, en vieren we de dag van Driekoningen, zoals het Mattheüsevangelie vertelt, op 6 januari. De twaalf dagen daartussen omvatten het begin en het einde, de hele mensheidsgeschiedenis in feite. Het is een tijd van innerlijkheid en diepte.
Wanneer we dit even doordenken, is het symbool waarin deze twee uitersten zijn verenigd, de kerstboom. Hoewel pas in de tijd van Luther geïntroduceerd, voelen we aan dat deze altijd groene levensboom (= het eeuwige leven) vol lichtjes (= het eeuwige licht) bij het kerstfeest niet mag ontbreken.
Het eeuwige licht en het eeuwige leven komen in de kerstperiode samen. Dat vieren wij. En daartussen leven wij, tussen beginnend licht en een van liefde en wijsheid doortrokken aards leven.

 

[1] Zie onder andere Jacob Slavenburg, Valsheid in geschrifte. De verborgen agenda van bijbelschrijvers, Walburg Pers, Zutphen 2005.
[2] Woudschotenconferentie in Noordwijkerhout, december 1998.

Dit artikel is afkomstig uit mijn boek Jaarfeesten; achtergronden en betekenis in onze tijd, uitgeverij Christofoor, 2017