Hoofdbanner

We staan er niet dagelijks bij stil, te veel als we cognitief zijn opgevoed en door de tijdsgeest beïnvloed, maar elk levend wezen (planten, dieren, de mens) beschikt over levenskracht. Dit is de kracht die de materie niet alleen bij elkaar houdt, maar die ook voor groei en ontwikkeling zorgt. Zonder levenskracht zal materie uiteen vallen, desintegreren. Materie zelf kan niks. Niet uit zichzelf, tenminste. Het verschil tussen een slapend iemand en een dode is dat de eerste wel levenskracht heeft en de tweede niet (meer).

Het lastige is dat levenskracht niet te meten is, althans niet met instrumenten. Je ziet haar wel, bijvoorbeeld in de uitstraling van iemand. Iedereen heeft daar wel een gevoel voor. Nog wel. Je ziet er goed uit, zegt men dan, je zit lekker in je vel, je straalt zelfs. Maar, omdat levenskracht niet meetbaar is, bestaat ze voor de wetenschap niet. Om die reden wordt ze in onze huidige westerse wereld min of meer weggemoffeld. Gebeurt dat lang genoeg, dan zal men afleren om te kijken zoals men oorspronkelijk kan kijken. Alleen het fysieke wordt nog waargenomen. Meer bestaat er niet.

Levenskracht doorstraalt het fysieke, dat zoals gezegd op zichzelf tot niets in staat is. Zie een steen, die is louter materie en kan niets. Niet groeien, zich niet ontwikkelen.
Een plant daarentegen heeft levenskracht en een fysiek lichaam. Bestaat uit levenskracht en materie. Een plant richt zich omhoog, naar het licht (de zon, onze bron van levensenergie). Dit zich omhoog richten is een kenmerk van de levenskracht.
Een dier bezit een fysiek lichaam, levenskracht en een astraliteit. Het kan ook nog denken, voelen en willen. Deze astraliteit is aardegebonden en richt zich vanuit haar natuur naar beneden.
De mens bezit hiernaast nog een vierde element, de geest. Dit kun je beschouwen als het zich los kunnen maken van het aardse, van het materiële, het zich kunnen ontzeggen van wat als begeerte in de mens opkomt. Begeerte richt zich op het aardse, de geest richt zich naar de kosmos.
Zodat je kunt zeggen, de mens bestaat uit een fysiek lichaam (aardegebonden), een levenskracht (omhoog gericht), een astraliteit (aardegebonden) en een geest (omhoog gericht).*

Je kunt inzicht krijgen in deze vierledigheid van de mens, louter door iemands gedrag te observeren. Zit iemand volledig in zijn levenskracht, hetgeen je bijvoorbeeld ziet in de sport bij een eclatante overwinning, dan werpt zo iemand de armen, bijna zijn hele lichaam de lucht in. Hij straalt geluk uit, hij voelt zich licht. Zo iemand is in vorm, wordt dan gezegd. Waarmee bedoeld wordt, hij zit in (of valt samen met) zijn levenskracht.
De verliezer daarentegen buigt het hoofd, stort ter aarde, begraaft zijn gezicht. Zijn levenskracht is tot een minimum geslonken. Hij voelt zich zwaar en aards, en kan daar op dat moment niet aan ontstijgen.
En iemand die aan religie doet of volledig opgaat in de natuur of in de magnifieke uitstraling van de nachtelijke sterren. Die spreidt zijn armen ten hemel, gelooft ook in de hemel of welke voorstelling van een hogere (niet-aardse) macht dan ook.

De astraliteit beïnvloedt de levenskracht, dat zal duidelijk zijn. Een depressief iemand voelt zijn levenskrachten wegebben. Hij wil soms letterlijk niet meer leven. Hij zoekt de aardse eenzaamheid op, weg van het licht. Hij vervalt tot inactiviteit. Terwijl juist een lichtbad zijn krachten weer op zouden kunnen wekken, want dat trekt hem eruit, de weg omhoog weer, met zin om te leven. Terwijl juist een stevige wandeling zijn lichaamskracht zou activeren en hem letterlijk en figuurlijk vooruit zou helpen.
Zonlicht en veel wandelen zijn de meest probate middelen tegen depressies.

Iemand die de geest zoekt, richt zich ook omhoog, maar dan in hooggestemde gevoelens en gedachten. Gevoelens en gedachten die het platte aardse overstijgen. De geest zoeken is niet zweverig. Daarover bestaan nog wel eens misverstanden. Het beoefenen of beleven van kunst is ook geestelijk. Je begeeft je dan buiten de geijkte aardse gebieden. De grauwe werkelijkheid is even afwezig. Inspiratie komt van boven, weten kunstenaars.
Fysiek lichaam, levenskracht, astraliteit en geest beïnvloeden elkaar voortdurend. Ze werken door elkaar heen als een soort van golfbeweging. Omlaag, omhoog, omlaag en omhoog.

Deze vierledigheid kun je in de dagelijkse praktijk onderscheiden. Wanneer iemand overlijdt, verlaat de levenskracht het lichaam. Wanneer je daar toevallig getuige van bent, kun je dat op een intense manier ervaren. Je ziet de kracht in één keer wegfloepen. Als je die ervaring niet hebt, lees dan de notities van iemand als Elisabeth Kübler-Ross. Zij beschrijft het stervensproces zeer zorgvuldig, heel leerzaam voor iedereen die zich hierin wil verdiepen. Verder, natuurvolkeren als de Indianen hadden daar ook oog voor. In hun visie verliet de levenskracht via de navel het lichaam.

Ook tijdens de slaap kun je deze vierledigheid onderscheiden. Wanneer iemand droomloos slaapt, hebben astraliteit en geest het lichaam verlaten. Maar ze zijn nog altijd wel (als met een soort van draad) aan het lichaam gebonden. Dat kun je ervaren, als je bijvoorbeeld plotseling tijdens het inslapen weer even wakker schiet. Hoe je dan als het ware in je lichaam “terugvalt”. En ook, door proberen wakker te zijn in je dromen. Astraliteit en geest hangen dan nog rond je lichaam. Je zit dan zelf met je bewustzijn in een tussengebied, tussen geest en lichaam in, en hebt meer dan anders verbinding met beide polen tegelijk. Het vraagt oefening, maar het levert een schat aan inzichten op. Wonderlijk, dat is en blijft het.


* Deze vierledigheid herken je ook in het sprookje van Grimm, De Bremer Stadsmuzikanten. Hier staat de ezel voor het lichaam (zie o.a. hoe Franciscus van Assisi zijn lichaam steevast broeder ezel noemde), de hond voor de (trouwe) levenskracht, de kat voor de astraliteit en de haan (vergelijk de haan op een kerkentoren) voor de geest.
Wanneer ze boven op elkaar gaan staan, eerst de ezel, dan de hond, dan de kat, en ten slotte als bovenste de haan, kunnen ze hun huis (de mens) binnenstormen en er bezit van nemen.