De pen
rust tussen haar lippen
ze proeft een zin
schrijft op
wat anders zou ontsnappen
een lach die losraakt
een voetstap die echoot
tussen klinkers
opeens
spat de lucht uiteen
woorden buitelen over elkaar
als kleine kinderen
in een spel vol plezier
het papier knispert
van vraag
van opwinding
een blik, een zucht
de pen vergeet de hand
die hem vasthoudt
Schepping
ik besta
nog voor iemand
mij aanwezig denkt
ik ben beweging
een klank die vorm zoekt
een kom
een kleine barst
een trillend spoor
nog niet benoemd
en zie
en hoor
de vlam vat vuur
Wat wacht
laat vallen
wat in je handen ligt
kiezels, harde stenen
sta stil
adem uit
tot je gewicht
tegen de grond slaat
word een kamer
waar niemand woont
buig, breek
open
zonder sleutels
tussen je ribben
wat wacht
zal komen
als licht door een kier