Hoofdbanner

Zwerm

De schaduw is zo groot als het dier in ons
dat we te weinig zien
we voeren het veel om het rustig te houden

aan een ketting rammelt het verlangen om uit te breken
met zware poten door de omgewoelde grond te ploegen
de wens om een zwerm te zijn

ik wil een verenvacht, scherpe klauwen
een blik vol nachtnavigatie, de roep
uit mijn borst laten ronken

ik wil de wilde dieren in mij, die wroeten
grommen tegen het donker



Hanneke van Eijken (°1981-)
uit: Hazenklop, 2025
uitgever: van Oorschot, Amsterdam


Een verontrustend gedicht, zo zou je bovenstaande Zwerm van Hanneke van Eijken kunnen noemen. De eerste regel zet meteen de toon:

De schaduw is zo groot als het dier in ons

Schaduw, het dier in ons, het doet sterk denken aan bepaalde thema’s uit het werk van Friedrich Nietzsche (1844-1900). De filosoof met de hamer, zoals hij wel werd genoemd, die onverschrokken naar binnen keek, in zijn eigen psyche, om te zien wat hij daar tegenkwam.  
Bekend is zijn uitspraak: “Als je lang in de afgrond kijkt, kijkt de afgrond ook bij jou naar binnen”.*
De afgrond kun je beschouwen als de schaduw in jezelf. Ze is aards, dichtbij, dionysisch. Zo groot als een dier, staat er letterlijk. Ofwel, als het instinct dat ons van binnenuit drijft.

De tweede regel geeft aan hoe wijzelf tegenover dit instinct in onszelf staan:

dat we te weinig zien

Precies wat Nietzsche steeds herhaalde. Dat we ons te veel verliezen in ver weg gebieden als het geloof, de wetenschap, en in het algemeen de ratio. Volgens hem moeten we terug naar de basis, naar onze instincten, naar het dier in ons.

De derde regel spiegelt ons verder:

we voeren het veel om het rustig te houden

We sussen onszelf in slaap, kun je zeggen, door het dier in ons van voedsel te voorzien, zodat het rustig blijft. Daar kun je van alles bij bedenken. Consumeergedrag, verslavingen, het vluchten in de roes van drugs en alcohol, het gericht zijn op status, ego etc. Kortom, alle buitenkantgedrag.

De tweede strofe zorgt voor een omslag:

aan een ketting rammelt het verlangen om uit te breken
met zware poten door de omgewoelde grond te ploegen
de wens om een zwerm te zijn


Er is de drang om dit dierlijke in ons uit te laten breken. Heel beeldend: ‘aan een ketting rammelt het verlangen’. Het wil los, zware aarde in. Het is niet mis, ‘met zware poten door de omgewoelde grond te ploegen’. Poten dus, als van een dier.

Maar dan de intrigerende derde regel van deze strofe: ‘de wens om een zwerm te zijn’.
Van de drang om aards te zijn, helemaal binnenin onszelf, stijgen we hier opeens op, om samen met de anderen één te zijn. In de lucht welteverstaan, los van de aarde, als een zwerm. Een zwerm spreeuwen, denk je dan al gauw. Het is altijd weer een wonderlijk schouwspel hoe al die spreeuwen in zo’n zwerm harmonisch samenwerken, als één samengebalde eenheid.

In de derde strofe slaat het gedicht weer een andere toon aan:

ik wil een verenvacht, scherpe klauwen
een blik vol nachtnavigatie, de roep
uit mijn borst laten ronken


Ineens is er sprake van een ik, en niet langer een wij. Van een algemene constatering gaan we naar een ik-gerichte beleving.
De ‘ik’ wil, staat er. Het leidt tot de associatie ‘De wil tot macht’, een leidmotief binnen de filosofie van Nietzsche, vaak ten onrechte vertaald als het willen heersen over anderen. Maar het ging Nietzsche om het overstijgen van jezelf, om op die manier macht te hebben. Een innerlijke macht, en niet een uiterlijke.
De ‘ik’ wil verenvacht, scherpe klauwen, nachtogen; als van een roofdier, wellicht een uil, dat zichzelf ronkend (vol trots dus) van binnenuit aankondigt: ‘de roep uit mijn borst’.

Dan volgt de vierde en laatste strofe:

ik wil de wilde dieren in mij, die wroeten
grommen tegen het donker

Een fraaie alliteratie, ‘ik wil de wilde…’ Wederom dat willen. Nu niet van één dier in de ‘ik’, maar van vele. Als ze maar wild zijn. Ongetemd dus. Niet in het keurslijf van een braaf leventje lopend. De ‘ik’ wil wroeten, blijven graven. En die schaduw uit de eerste regel? Die gaat de ‘ik’ voortaan te lijf, juist met dat veroverde aardse in zichzelf. De ‘ik’ wil ‘grommen tegen het donker’.
Kennelijk geeft dat kracht, deze wil tot innerlijke macht. Hoe we door in onszelf af te dalen, niet alleen onze instincten leren kennen, maar ook beter bestand zijn tegen alle donkere kanten in het leven. We grommen terug.

Wat een rijk gedicht is dit, dat voor hetzelfde geld meer emotioneel (angst, onderdrukking, onrust) uitgelegd kan worden, of psychologisch (bewustzijn, identiteit, zelfoverstijging), of zelfs ecologisch (de zwerm als metafoor voor de natuur). Het is maar welke invalshoek je kiest. Zolang je maar bij wilde dieren uitkomt.


* Aforisme 146, Voorbij goed en kwaad., uitgeverij Arbeiderspers, 1979