Hoofdbanner

"Wat vrijheid betekent, in de grond van de zaak: het scheppen van de wereld."
Aldus een citaat van de veelzijdig kunstenaar Joseph Beuys (1921-1986). Een mooie uitspraak van een onconventionele denker. Toch valt er nog wat op af te dingen, vind ik.

Goed beschouwd schep je ieder moment van de dag de wereld zoals die zich aan jou voordoet. Bij alles wat je doet of denkt. Dat heeft niet per se met vrijheid te maken. Oké, in vrijheid schep je wellicht iets nieuws, iets wat er nog niet was. Een kunstwerk bijvoorbeeld. Maar we scheppen zoveel meer. Iedere gedachte, zowel positief als negatief, werkt scheppend. Elke daad ook. We scheppen elke seconde, zonder dat we daar bewust van zijn. Vrijheid en scheppen is niet voorbehouden aan kunstenaars. Wij hebben en doen het allemaal, jong en oud, wijs en dom.

Een voorbeeld, je denkt aan iemand. Deze gedachte werkt door, je kunt dat voelen en ervaren als een zaadje dat je in die ander legt. Dat zal zijn uitwerking hebben. Bij een positieve gedachte kan deze persoon zich daar aan optrekken. Het geeft hem een nieuw soort energie, misschien bloeit hij op. Afhankelijk natuurlijk van hoe hij zich openstelt. Dit veroorzaakt nieuwe omstandigheden, nieuw zaad, wat ook zijn weg in de wereld zal vinden. Dat gaat zo door, als een keten in de tijd. Het creëert bij elkaar ruimte en vrijheid. Ook voor jezelf. Alsof je ruimer kunt ademen.
Een negatieve gedachte heeft ook zijn uitwerking. Op die ander maar vooral naar jezelf toe. Het zet die ander vast, in het strakke omhulsel waarin jij hem neerzet. Het zet jou zelf vast, in het (voor)oordeel dat je hebt. Je creëert onvrijheid. Je ervaart minder ruimte om je heen.


Wat we denken en doen is letterlijk van levensbelang. We hebben dat nauwelijks door. Met onze gedachten scheppen we de wereld. We 'denken' onze omgeving en we 'denken' onszelf. Andersom gebeurt natuurlijk ook. De wereld vormt onze gedachten en emoties. Er is een continue input. Die wisselwerking van buiten naar binnen, en van binnen naar buiten, de strijd die dat oplevert, die maakt ons tot mens. 

Vrijheid heeft te maken met het kunnen overstijgen van onze basale behoeften. Datgene dus dat ons aan de aarde gebonden houdt. Om hier een licht op te werpen zouden we naar binnen moeten kijken. In onze binnenwereld kunnen we een lichte (hemelse, de zon) en een donkere (aardse) kant ervaren. Onze goede eigenschappen te zien kost ons weinig moeite, maar het donkere in onszelf te erkennen, dat valt niet mee. We kijken liever de andere kant op, weg van onze aardse schaduw, richting de zon. Voor het afdalen in onszelf is haast een Nietzscheaanse moed nodig.

Bijna iedereen spreekt tegenwoordig schande van foute politici, corruptie en criminaliteit, maar in feite zijn wij zelf geen haar beter. In ieder van ons schuilt de dief en de moordenaar. Dit in te zien vraagt het uiterste. We zijn gewend positief over onze eigen innerlijke motieven te denken. Daaraan ontlenen we ons zelfbewustzijn. Wanneer het ons lukt ‘het slechte’ in onszelf te erkennen, en we accepteren dat als een deel van ons wezen, dan zijn we bezig tussenruimte te creëren. Die tussenruimte is onze verbinding van het aardse met het hemelse. Het is een gebied op zichzelf waarin het wezenlijke zich openbaart. Dit uit zich in een mildheid jegens onszelf en jegens anderen. Vanuit die mildheid oordelen we niet zo snel meer over anderen, want we weten hoe we zelf zijn.
Oscar Wilde heeft eens gezegd:

Een zondaar en een heilige zijn dezelfde mensen; alleen heeft de heilige een verleden achter zich en de zondaar een toekomst voor zich.

Met andere woorden, we kunnen als mens pas tot het goede komen door eerst in onze eigen hel af te dalen. In verkleinde vorm ervaren we dit bij ziekte of lijden. Wanneer we hersteld zijn of ons gelouterd voelen, ervaren we onszelf lichter en beter dan ervoor. Alsof iets binnenin ons, een ziektekiem, een stukje duisternis, zich heeft vrijgemaakt en is losgekomen. Voorwaarde is overgave aan de ziekte, aan het lijden. Ofwel, erkenning en acceptatie van de kleine hel in onszelf.

Met die veroverde mildheid zullen we een ander nu anders tegemoet treden. We creëren ruimte tussen ons en de ander, een vrije ruimte. Die ontstane ruimte kun je zien als een oordeelsvrij gebied tussen mij en de ander. Zeg maar een uitwisselingsgebied, zonder beperkingen. Dit nu zorgt voor het wezenlijke in de ontmoeting, en niet zozeer mijn eigen ik of dat van de ander. Daar, in die tussenruimte, is plaats voor begrip. Wat deze tussenruimte kenmerkt is aandacht en vrijheid. Eerbied, zullen sommigen zeggen. Aandacht voor de ander, met tegelijkertijd een terughouden van onszelf.

Je merkt dan hoe een vonk kan overslaan, hoe licht en ruim alles wordt, op het zorgeloze af. Alles kan, alles is mogelijk, in dat ene moment. Er worden geen claims gelegd, geen verwachtingen gedacht of uitgesproken. Elk oordeel of vooroordeel ontbreekt. De inzichten stromen binnen. Hier gebeurt het, zo voelen we, hier ontstaat werkelijke interesse in de ander, in onszelf, in al wat leeft en wil groeien. Dit kolkende gebeuren is vrijheid. Een geestelijke vrijheid.