Bij dag slaagt men erin om te vergeten
Bij dag slaagt men erin om te vergeten
hoe diep zich de verraderlijke pijn
sluw als een slang in ’t hart heeft vastgebeten.
Bij dag slaagt men erin gewoon te zijn
tevreden en zelfs opgewekt te heten.
Gewillig drinkt men de goedkope wijn
der alledaagsheid, tegen beter weten,
en laat zich troosten door de zonneschijn.
Alleen de nacht, genadeloos, ontdekt
hoe tevergeefs de ziel zich tracht te warmen
aan ’t droombeeld, door herinnering gewekt.
En elke nacht opnieuw, zonder erbarmen,
doorvlijmt het lichaam, weerloos uitgestrekt,
hetzelfde heimwee naar dezelfde armen.
Hanny Michaelis (1922 - 2007)
uit: Klein voorspel, 1949
uitgever: J.M. Meulenhoff, Amsterdam
Hoewel Hanny Michaelis vaak wordt herinnerd als de voormalige partner van Gerard Reve, was zij zelf een belangrijke dichteres en vertaalster. Vanaf haar 17e schreef ze gedichten, om in 1949 voor het eerst een bundel te publiceren. Het hierboven staande gedicht stamt uit deze eerste bundel.
De Tweede Wereldoorlog en het verlies van haar Joodse ouders, vermoord in concentratiekamp Auschwitz in 1943, hebben haar leven sterk getekend. Zelf heeft ze in de oorlogsjaren ondergedoken gezeten. Veel van haar gedichten gaan over verdriet, over verlies, en getuigen vaak van een sombere, melancholische kijk op het leven. Zoals ze in een van haar latere gedichten schrijft:
Wat men gemakshalve
het leven noemt, is niet
al te vriendelijk met me omgesprongen.
In eerste instantie dichtte ze nogal vormvast, later legde ze zich meer toe op de vrije vorm.
Bovenstaand gedicht behoort tot die eerste categorie. Het is een klassiek vormvast sonnet, bestaande uit twee kwatrijnen, gevolgd door een sextet van twee terzinen. Het rijmschema is abab abab cdc dcd, geschreven in jambische versmaat, met afwisselend regels van tien en elf lettergrepen. De regels van tien eindigen op een beklemtoonde lettergreep (mannelijk rijm), die van elf op een onbeklemtoonde lettergreep (vrouwelijk rijm).
De inhoud van het gedicht laat weinig te raden over. Het is duidelijk, het gaat over gemis. Over de pijn vooral die dit geeft. Maar, staat er:
Bij dag slaagt men erin om te vergeten
hoe diep zich de verraderlijke pijn
sluw als een slang in ’t hart heeft vastgebeten.
De pijn is verraderlijk en sluw als een slang. Ze heeft zich (heel plastisch) in het hart vastgebeten, maar overdag wordt ze weggedrukt. De formulering 'slaagt men erin' klinkt bijna zakelijk, alsof het vergeten een dagelijks volbrachte prestatie is. Let op, er staat ‘men’. Alsof de dichteres haar persoonlijke pijn op een afstand probeert te houden. Wat de pijn juist nog meer voelbaar maakt.
Het eerste kwatrijn gaat verder:
Bij dag slaagt men erin gewoon te zijn
Het gewone van de dag wordt hier nog eens benadrukt. Alsof er aan de buitenkant gezien niets aan de hand is. Het klinkt ook bijna mechanisch. Alsof het iedere dag opnieuw een inspanning kost om te functioneren. Dit wordt voortgezet in het tweede kwatrijn.
tevreden en zelfs opgewekt te heten.
Gewillig drinkt men de goedkope wijn
der alledaagsheid, tegen beter weten,
en laat zich troosten door de zonneschijn.
Er klinkt iets wrangs door in dit 'vergeten' van de pijn. Tevreden, zelfs opgewekt, gewillig, goedkope wijn, met de verrassende regelafbreking ‘der alledaagsheid’. Een sterke metafoor is dit. Het gewone leven als een verdoving die mensen vrijwillig tot zich nemen. Het is goedkope wijn: een gemakkelijk verkrijgbare troost die de pijn tijdelijk verdooft, maar uiteindelijk ontoereikend blijkt. En toch doet men dit, tegen beter weten in. Men weigert de diepte in te gaan, lijkt het. Liever laat men zich troosten door het daglicht, door de zonneschijn.
In een sonnet volgt na de twee kwatrijnen gebruikelijk de volta, de omslag. Die wordt hier wel heel scherp neergezet.
Alleen de nacht, genadeloos, ontdekt
hoe tevergeefs de ziel zich tracht te warmen
aan ’t droombeeld, door herinnering gewekt.
Opvallend is de spiegeling van ‘Bij dag’ als begin van eerste twee kwatrijnen en ‘Alleen de nacht’ waarmee het sextet inzet. Die strakke dag-nacht-tegenstelling vormt de architectuur van het hele sonnet.
Het gedicht duikt hier de diepte van de nacht in, als contrast met de schijnbare oppervlakkigheid van de dag (hoewel diezelfde dag ook troost kan bieden). Die nacht is genadeloos, staat er. Nietsontziend legt hij bloot wat er onder de schijn verborgen ligt. In de nacht keert men naar binnen, wordt men met zichzelf geconfronteerd. Pogingen van de ziel om zich ‘te warmen aan ’t droombeeld’ van een (kennelijk herinnerd) samenzijn worden als tevergeefs ervaren. De nacht is hard en onontkoombaar.
En elke nacht opnieuw, zonder erbarmen,
doorvlijmt het lichaam, weerloos uitgestrekt,
hetzelfde heimwee naar dezelfde armen.
De wanhoop en de tragiek worden in deze laatste terzine nog eens benadrukt. Elke nacht opnieuw, staat er, als een nachtmerrie waar men zich niet los van kan maken, bezoekt de pijn van heimwee de persoon in kwestie. Het lichaam ligt er ‘weerloos uitgestrekt’ bij, niet in staat zich te verdedigen. Het wordt doorvlijmd, doorboord dus. Heftig, indringend. Heel fysiek ook, met die slang in het hart, het lichaam dat doorboord wordt, weerloos nog wel.
De laatste woorden van het gedicht maken het ineens heel persoonlijk: ‘hetzelfde heimwee naar dezelfde armen’.
De woorden ‘hetzelfde’ en ‘dezelfde’ in één zin drukken de onveranderlijkheid van het verdriet uit. Wat een groot en blijvend gemis. Je denkt dan, haar leven kennend, al gauw aan haar ouders die ze op zo’n jonge leeftijd moest missen. Maar het kan ook een afscheid zijn van een geliefde, een herinnering aan vroeger, of een ander verdrongen verdriet. Er is ruimte om er je eigen invulling aan te geven, juist door het woordje ‘men’ waarin het gedicht vervat is.
Opvallend is ten slotte hoe vorm en inhoud elkaar versterken. Het beheerste, klassieke metrum contrasteert met de heftige emoties die onder het oppervlak woeden. Juist die spanning maakt het gedicht zo aangrijpend. Schrijnend voelbaar is het verdriet, zonder dat het ooit sentimenteel wordt.