Hoofdbanner

Het was een frisse ochtend begin mei. De lucht was lichtblauw, bijna doorschijnend, en over de heuvels golfde een wellustig groen. Links en rechts van mij stonden de meidoorns in volle bloei, hun witte trossen open, alsof ze mij iets wilden toefluisteren, iets dat ik vergeten was te horen.
Ik had me voorgenomen een lange wandeling te maken, om mijn hoofd leeg te krijgen. Dat zei ik tenminste tegen mezelf: dat het om frisse lucht ging, om beweging. Maar diep vanbinnen wist ik dat het anders was. De stilte in huis was te nadrukkelijk geworden. Alles rook nog naar haar, naar iets warms dat nergens meer thuishoorde. Op het aanrecht stond nog haar koffiebeker. Alsof ze zo weer binnen zou kunnen stappen.

Ik liep al een tijd toen ik hem zag: op het pad, glanzend zwart in het zonlicht, lag een kever op zijn rug. Zijn pootjes trilden in de lucht, zijn schild glom, zijn buik bewoog als een mechaniekje dat het opgeeft.
Ik bleef staan. Even dacht ik hem overeind te helpen, maar deed het niet. Ik liep verder.
De zon stond hoger nu; een zachte, gele gloed trok door het land. De lucht trilde van lentegeuren; gras, bloesem, aarde. Ze had dit soort ochtenden altijd eerlijk licht genoemd, omdat alles wat er was, gezien moest worden. Ik haalde diep adem. Ik had net weer een ritme gevonden toen ik nog een kever zag liggen. Ook op zijn rug, aan de voet van een meidoorn.
Er ging een steek door me heen.
Ik boog me, vond een dun takje en draaide hem om. De kever bleef eerst even liggen, alsof hij moest wennen aan zijn herstelde wereld, en liep toen snel weg.
Ik glimlachte.

Tot ik iets tegenover mij aan zag komen springen: een grote, modderbruine kikker. Nieuwsgierig hief hij zijn kopje opzij. Keek mij aan, daarna de weg sprintende meidoornkever. De tijd leek een moment te stokken. De lucht werd dik. De zon hing loodzwaar achter plots opdoemende wolken. Alsof de wereld zijn adem inhield.
Toen, een snelle beweging. De kikker zweefde een fractie door de lucht, de poten vooruit, en was opeens een gapend grote mond. En weg was de kever. Zo in één hap. Alsof hij nooit bestaan had.
Ik werd er misselijk van. Mijn mond vulde zich met speeksel, mijn maag trok samen. Ik draaide me om en gaf over, daar midden op het pad.

Die nacht sliep ik nauwelijks, slechts met tussenpozen. In de schemer tussen waken en slapen zag ik de kevers weer, met hun spartelende pootjes, en kikkers die hen besluipen. Soms hoorde ik hun geluid, een droog kraken, of was het mijn eigen adem? Af en toe meende ik haar stem te horen. Niet hard, eerder als een gedachte die achter mijn ogen bleef steken. ‘Laat toch liggen,’ klonk het, ‘sommige dingen keren vanzelf om.’

De volgende dag ging ik naar de huisarts. Hij zat achter zijn bureau, de kamer rook naar ontsmettingsmiddel en koffie. Ik vertelde hem wat ik had gezien, wat ik had gevoeld. Over de kevers, de kikkers, en de misselijkheid die maar niet wegtrok.
Hij luisterde zonder me aan te kijken, knikte soms, tikte iets in op zijn computer. Toen zei hij, met een kalme stem: ‘U hebt waarschijnlijk de keverkikkerziekte.’
Ik schoof naar achteren in mijn stoel en lachte ongemakkelijk. ‘Is dat… echt een ziekte?’
Hij glimlachte. ‘Ze bestaat. Niet ernstig, maar wel verraderlijk. Ze nestelt zich tussen zintuig en herinnering, en doet u dingen zien die er misschien wel, of misschien niet, zijn.’
Achter hem waaide een meidoorntak tegen het raam. Het zachte krassen van de doorns tegen het glas klonk alsof het mij iets probeerde te zeggen.
De huisarts schreef iets voor en schoof het zwijgend naar me toe.
‘Driemaal daags, met een slok water. En probeer voorlopig gebieden met bloeiende meidoorns te vermijden. Zeker daar waar de kevers op hun rug liggen. En pas op voor kikkers.’
Hij keek me aan, voor het eerst echt, en ik zag dat zijn ogen waterig waren.
Na een korte stilte zei hij: ‘Het gaat meestal snel over. Voorwaarde is wel dat u loslaat wat eerder nog bewoog.’
Ik knikte, zonder te weten wat ik moest zeggen.

Buiten deed het zonlicht pijn aan mijn ogen. De lucht was nog steeds te blauw, te helder. Op het tegelpad voor de praktijk bewoog iets. Een kever, glanzend zwart, spartelend op zijn rug.
Even bleef ik staan. Ik wilde bukken om hem overeind te helpen, maar mijn handen trilden. In mijn borst voelde ik iets bewegen, iets dat eruit wilde, maar vast zat.
Ik draaide me om en liep verder, het geluid van mijn voetstappen dof op de stoep.

Achter mij, in de verte, leek een witte wolk zich langzaam over het landschap te spreiden. Wat het was, was moeilijk te zeggen. Het rook scherp en zoet tegelijk. Het was nog steeds mei. Maar iets aan het licht klopte niet. Het was niet eerlijk meer.