Hoofdbanner

de wereld komt bij mij binnen
alsof het de melkboer is
(zonder kloppen door de achterdeur)
in zijn hand een frommelbriefje
boter, kaas en eieren
met rode kruisjes volgeklad

buiten hangen de huizen  
scheef in hun hengels
de lucht is grijs
op de stoep een dode vogel
een merel zo te zien
de bek opengesperd
alsof hij nog één keer
naar adem probeerde te happen

terwijl ik hem
met de punt van mijn schoen
de goot in schop
denk ik aan de monden
die het vandaag
zonder brood moeten stellen

hoe ver uitgemergeld
kan een wereld vooruit snellen?

is er een maat
voor wat een mens kan dragen
een liniaal onder de huid
die een schreeuwend tekort
tot op de centimeter meet?

wat je kwijt bent geraakt
als een handschoen op straat
waarna je nog een tijdlang
één hand in je jaszak houdt
om je gemis te verbloemen

pijn is een gulzig familielid
hij zit op de beste stoel
neemt het laatste stuk gebak
en buldert daarna van plezier

o ja, ik heb mensen liefgehad
met de jaloezie van een hond
vastgebonden aan een hek
grommend, de tanden zichtbaar

ik hoorde hun valse gelach
dwars door muren heen
als een bos plastic bloemen
op mijn graf uitgestald

geluk is een huis
waarvan iedereen zijn eigen sleutel heeft
maar wat als er geen muren zijn
om te stutten
geen kamers om veilig in weg te kruipen?

het kind in mij
telt elke dag opnieuw de borden
niet de woorden, niet de klappen
maar wel de borden
het wil weten hoeveel er nog over zijn
na de zoveelste inslag
voor zijn huis onbewoonbaar wordt

ik zie mezelf onder tafel zitten
een stukje brood in mijn vuist
een koninkrijk van stof en kruimels
nabij de voeten van volwassenen
die elk moment
uit hun slof kunnen schieten

een kind heeft geen idee
het verdeelt de wereld
in brokstukken die het aankan
witte vlaggen
die uit daken steken
het zal denken aan de was
die nog buiten hangt

er is geen loket voor de moeder
die de naam van haar zoon blijft herhalen
geen formulier voor de man
die zijn been verloor

medelijden wordt begraven
in buitenlandse grond
hoe vrede wordt gemaakt
weet alleen de blinde soldaat

natuurlijk, je kunt het kwaad veroordelen
met een mond vol tanden
met de keurige woede
van je eigen ellende als toegangsbewijs

je laat een porseleinen vaas vallen
niet om de vaas
maar om het geluid
waarmee ze uiteenspat
op de vloer van jouw verontwaardiging

dat iedereen weet van de barsten
in het geluk van de dag

dat de rijkdom in de wereld
eerlijk verdeeld zou moeten zijn
als een taart onder de kinderen
van een overleden vader

de fata morgana
van ons woestijnleven

over woestenijen gesproken
er zit een zandkorrel
als een zaadje tussen mijn kiezen
ik bijt erop
tot het bloed begint te smaken

ontspring, zeg ik
jij verraderlijke
jij die niets weet
en daarom mij het meest nabij is

groei in deernis
in dorst naar mededogen

wees een lichaam
dat zijn laatste warmte
aan de stenen afstaat

leer mij lopen
met een mes in mijn rug

de vreemdeling in mijn huis
weigert zijn jas uit te trekken
hij slaapt met mijn schoenen aan
hij proeft mijn diepste angst

ik vraag hem weg te gaan
zeg dat ik begrijp waarom hij hier is
dat haat ooit ergens is begonnen
als een klein, hulpeloos dier
dat niemand durfde aan te raken

hij kijkt me aan
met de ogen van iemand
die al te vaak heeft gehoord
dat hij verkeerd wordt begrepen

ik vlucht naar buiten
neem plaats onder de pergola
denk aan mijn moeder
hoe haar mes
door de lagen van mijn ziel sneed
als door een ontvelde ui
(mijn ogen schieten nog altijd vol)

hoe ze een appel schilde
in een krul die als een slang
op haar bord belandde

ik weet niet of ze zong
wanneer ze de was ophing
of dat ik haar stem later
aan de knijpers heb toegevoegd

ooit nam ik haar kwalijk
wat ze mij heeft afgenomen
dat ze mijn zwijgen aanzag
voor een deur die vanzelf
weer open zou gaan

nu zou ik willen
dat ze nog één keer
aan mij vroeg of ik iets wilde eten

ik zou ja zeggen
ook als ik geen honger had
ja zeggen tegen het brood
tegen de boter, tegen de hele
beschamende overvloed
van een avond waarop iemand sterft

mijn vader nam in zijn afscheid
niet alleen zichzelf mee
ook het gekraak van de trap
die nog altijd verwacht
dat iemand naar boven komt

op een dinsdagmiddag
wanneer de lucht de kleur heeft
van oud afwaswater
zie ik hem weer op straat
zijn boodschappentas aan zijn borst geklemd
als een dier dat niet meer ademt

ik had voor hem
de wereld willen openvouwen
als een natte krant op tafel
de foto's voorzichtig losmaken
van de pagina’s waar het verdriet
al het leven doordrenkt

en de kinderen
ja, alle kinderen van de wereld
zou ik eruit vandaan tillen

maar mijn handen zijn te klein
ze passen om een koffiekop
de afstandsbediening van de tv
ze kunnen een deur openen
een wond verbinden
en heel soms
een hand vasthouden zonder iets te zeggen

al mijn tranen hebben de loop
van de zeeën niet veranderd
één geredde vluchteling weegt niet op
tegen de duizend die verdronken zijn

ik sta voor het huis van morgen
ik tel de stoelen
de glazen op tafel

er is een vlek op het tafelkleed
een vlieg in de wijn
een bericht dat de avond verdeelt
in ervoor en erna

ik zou willen
dat liefde geen brood is
dat bij iedere mond
in kruimels uiteenvalt

eerder een wortel
die je uit de grond trekt
en waaraan aarde blijft zitten

bij de kassa vraagt een kind
of het met honger kan betalen
de caissière knikt
ze haalt een apparaatje tevoorschijn
piep, zegt de machine
piep, zegt de wereld terug