Ik ben niet van mij
als ik kijk
diep genoeg
vind ik geen kloppend middelpunt
dat zegt: dit ben ik
ik tref resten
vergankelijk
als afgekloven botten
adem, huid, een naam
die wordt geroepen
alsof ik daar woon
mijn hoofd trekt een spoor
in de mist
van vergissingen
spanning, honger, siddering
die terugdeinst
zodra ik haar benoem
wat ik aanraak
verandert
terwijl ik het vasthoud
zelfs mijn schaamte verschuift
er is geen binnen of buiten
alleen doorlaatbaarheid
ongevraagd
zonder oordeel
vult leegte mij
als daglicht op de vloer
ik ben niet van mij
Wachtend
de razende straat
een claxon
geschreeuw
iemand vloekt
zijn sleutels kwijt
een raam slaat dicht
ik sta stil
met lege handen
het zebrapad
kijkt onverschillig terug
de kauw op de lantaarnpaal
schudt de zomer uit zijn veren
is weg
een reclamefolder
plakt aan mijn schoen
Wervelingen
nog eenmaal
sta ik rechtop
en draai rond
op mijn pas gekochte spitzen
de vloer kantelt
mijn armen zwaaien
als losse vleugels
aan mijn schouders
de kamer keert terug
gebonk in mijn botten
ik dans
nog duizelend
verder
tegen de slag in
Binnenreis
ik stap door gangen
die ik dacht te kennen
op elke deur
klinkt een klop
er wil iets naar binnen
gefluister, stemmen
tussen stenen
een koele bries
in mijn nek
neemt mee
wat ik achterlaat
een barst opent zich
onder mijn voeten
ik blijf gaan
steeds dieper
Herinnering
ik probeer jou te vergeten
als een kooivogel
die wordt losgelaten
een schaduw schuift
langs mijn ribbenkast
ik voel mijn hart
het klopt niet voor mij
ik zucht
maar niets
kaatst terug
wassend water
wist sporen uit
in het zand
Zo te sterven
ik lig op de bank
mijn adem gaat
zoals zij gaat
licht valt langs de muren
de lucht raakt mij
met splinters zon
wat ik denk
drijft voorbij
als wrakhout op water
ik laat los
zonder verhaal
niets
te behouden
niets
te verliezen
de stilte draagt mij
zonder naam
Afscheid
ik zie je niet
toch voel ik je nog
een laatste aanraking
vervliegt in de lucht
woorden sterven
als deuren die dichtslaan
ik draai me om
de echo van jouw aanwezigheid
dwarrelt als stof
voor mijn open raam
blijf
als condens op mijn ruit
die smelt in ochtendlicht