ik ben een gerucht
in donkere aarde
ik schiet wortel
de regen oefent
op zaad, op kiemen
een worm graaft lucht
zoals alleen een worm
lucht kan graven
ik breek open
niet uit moed
uit aandrang
zichtbaar
op een manier
die pijn doet
de wind spreekt mij aan
met vergeten namen
verwisselt mij met gisteren
een vlinder zoekt
de kleuren van de dag
mijn mond zwijgt
vraag het gras
waarom het blijft groeien
vraag de steen
wat hij bewaart
Voorbij
de tijd verstopt zich
in de plooi van een jas
je hand vindt
een onbekende sleutel
de bomen laten
ieder jaar los
wat moet verdwijnen
je huis herinnert zich
de voeten van vroeger
hoe licht zij waren
een appel ligt
te verschrompelen op tafel
een geur, een schaduw
een vogel steekt over
je rent vooruit
om jezelf in te halen
op de drempel
blijf je staan
Oud huis
de gang verandert
met elke stap van gedachte
aan de muur de vergezichten
die ooit een uitgang waren
balken, spinrag
de muffe geur van kisten
mijn gezicht komt mij tegemoet
in een ruit die geen spiegel wenst te zijn
de kamers verplaatsen zich
zodra ik mijn hoofd omdraai
op de vloer een draad
nergens vandaan
vanaf het plafond
is stof het enige antwoord
er groeit een doolhof
achter mijn ogen
elke bocht lijkt op de vorige
tot ook het verschil verdwaalt
zelfs de stilte
is hier ingericht
de wereld laat mij los
zonder mij te laten vallen