‘Ze komen eraan.’
Zo gaat het gefluister, nog vóór de zon haar oranje gloed boven de lemen daken tilt. In de steegjes spreken de kooplieden zachter dan anders, de handen half voor hun mond. Zelfs de geiten op de daken maken geen geluid, alsof ook zij op hun hoede zijn. In de koelte van de ochtend verzamelen de mensen zich rond de waterput op het centrale plein. Niemand weet precies waarom. Maar ontegenzeggelijk: ze komen eraan.
Het is de oude vrouw Samira die het als eerste hardop zegt. Elke ochtend staat ze op dezelfde plek, een rieten mand met gedroogde dadels en vijgen naast zich, omdat ze dat altijd heeft gedaan, ook al koopt bijna niemand meer. Haar handen trillen niet alleen van ouderdom, maar van herinneringen die zich niet laten wegdrukken: die ene nacht, lang geleden, toen haar man opstond omdat hij ‘iets had gehoord buiten de muren’. Een teken, zei hij. Hij kwam niet terug.
Vandaag knikt ze langzaam, alsof ze beseft dat hij toen misschien ook die ‘ze’ had gehoord. Of misschien heeft de tijd haar herinnering zo gevormd.
‘We hebben iemand nodig die ons beschermt,’ zegt ze.
Karim de karavaanhandelaar, die zijn tapijten nog niet eens volledig heeft uitgerold, bromt instemmend. Niet omdat hij het gevaar ziet, maar omdat hij de stilte niet verdraagt. Karim is een brede man met sterke armen, maar zijn hart klopt klein en snel zodra hij bang is. En de laatste weken lijkt alles hem angst in te boezemen: het uitblijven van kamelen uit het noorden, het zwijgen van de boodschappers, de rookwolk die hij gisteren meende te zien boven de duinen. Later bleek het opwaaiend zand. Toch kijkt hij steeds naar het oosten, waar zijn angst begint en waar hij contouren ziet die niemand anders waarneemt.
‘Iemand die ze kan tegenhouden,’ mompelt hij. Zijn stem klinkt onzekerder dan hij bedoelt.
Dan spreekt Yassin, nog nauwelijks een man, met een stem die breekt alsof hij zichzelf tot moed dwingt. Hij is de enige in het stadje die nog gelooft dat helden bestaan. ’s Avonds oefent hij achter de schuur van zijn vader met een oud revolver, een erfstuk uit een vergeten conflict. Hij schiet op lege blikken, omdat hij wil weten hoe het voelt om te raken.
‘Er moet toch iemand zijn die weet hoe we ons kunnen verdedigen?’ roept hij.
Zijn woorden waaien kort door de koele lucht en lijken te aarzelen of ze willen blijven hangen. Toch knikken de mensen. Het gezamenlijke ritme van hun instemming stelt gerust. Ja. Een leider. Iemand die het naderende gevaar een naam geeft. Of beter nog: het verdrijft. Want waarvoor zijn ze anders hier?
In het raadhuis, een laag gebouw van steen en hout, zitten de notabelen zwijgend op hun kussens. Qadir, ooit beroemd om zijn donderende redevoeringen, vouwt zijn handen zo strak ineen dat zijn knokkels wit afsteken tegen zijn huid. Hij heeft nachten niet geslapen. Niet zozeer uit angst voor wat komt, maar omdat hij geen woorden meer vindt. Zijn hele leven draaide om taal, en nu nadert iets waarvoor taal tekortschiet.
De vorige nacht meende hij voetstappen te horen in de binnenhof van zijn huis. Toen hij ging kijken, vond hij alleen een omgevallen kruik. Toch had hij daarna het gevoel dat iets zich terugtrok, zacht en haastig.
De mannen staren naar de deur, alsof ze verwachten dat er elk moment iemand kan binnenkomen om hun zwijgen te verbreken. Het gevaar heeft nog geen vorm, maar in hun gedachten is het van alles tegelijk: plunderaars, vreemdelingen, rovers, of iets wat geen naam heeft.
In het grootste vertrek wacht Rashid al-Mansur, de man die zichzelf graag ziet als tegenmacht. Hij is de stem van het volk, althans dat gelooft hij. Zijn gewaad is rijk versierd, zijn borst zwaar van insignes die glanzen in het halfduister. Hij gelooft heilig in het gezag van uiterlijk vertoon: als hij straalt, zo denkt hij, straalt de stad.
In zijn handen houdt hij een dik perkament, beschreven in een taal die hij zelf nauwelijks begrijpt. Het gewicht ervan stelt hem gerust. Ook hij hoorde in de nacht stemmen, lage tonen, bijna gezang, gedragen door de wind. Maar toen hij zijn wachters liet luisteren, hoorden zij niets.
Sommigen fluisteren dat het document een vredesverklaring is. Anderen dat het een waarschuwing bevat. Rashid zegt niets. Hij wacht. Wachten, weet hij, oogt als macht.
De schriftgeleerden en ambtenaren tooien zich met hun mooiste gewaden. Hun ringen en kettingen schitteren fel in de zon. Ze zeggen dat zulke pracht indruk maakt op wie komen zal. Dat wie glanst, geen angst hoeft te tonen. Maar het licht maakt hun ogen juist smaller, onrustiger.
Het volk mort. Het vertrouwt het niet. Waarom zwijgen de leiders vandaag, terwijl ze anders elke gelegenheid aangrijpen om hun stem te verheffen?
Raadslid Nabil, die normaal gesproken uren kan spreken zonder adem te halen, heeft zijn woorden ingeslikt. Hij hoorde vannacht iets langs het houten luik van zijn raam schrapen. Toen hij keek, zag hij slechts een losgeraakte plank die door de wind bewoog. Maar hij durft dat niet te geloven.
Het wil stilte, denkt hij. Hij weet niet of hij daarmee de nacht bedoelt, of het gevaar.
Tegen zonsondergang begint de onrust te golven. Fluisteringen trekken door de straten als stofstormen. Gezichten verbleken. Mensen kijken om, denken voetstappen te horen. Iemand beweert schimmen te hebben gezien buiten de stadsmuur; een ander zweert dat de grond trilde. Even later is het weer stil.
Een bakker zegt dat zijn oven kraakte zoals nooit tevoren. Een herder vertelt dat de wind plotseling van richting veranderde. Niemand gelooft de verklaringen nog echt.
Het plein loopt leeg, als water dat wegzakt uit een vergiet.
De nacht valt. Maar ze zijn er niet. Nog niet. Geen hoefslag. Geen silhouetten in de verte. Geen roep, geen teken, niets.
Het wordt een angstige nacht. Niemand durft te slapen. Kinderen kruipen dicht tegen hun ouders aan, mannen lopen rusteloos heen en weer, de ramen gesloten, een olielamp in de hand als talisman tegen het onbekende. Een hond begint te blaffen, andere honden antwoorden, tot het geluid zich vermenigvuldigt en de angst alleen maar groeit.
Ze komen eraan, zegt men nu hardop tegen elkaar. Niemand houdt ze tegen. Vluchten heeft geen zin. Het is te laat.
Mannen met geweren en messen verzamelen zich bij de put. Twee aan twee. Alleen is te gevaarlijk. Samen zullen ze weerstand bieden, de stad verdedigen, misschien zelfs doden.
Yassin voegt zich bij hen, het metaal van zijn revolver warm in zijn hand. Eindelijk is hij iemand die nodig is.
Bij het eerste licht van de ochtend komen reizigers de stad binnen, uit de grensstreek. Hun gezichten zijn vermoeid, hun wimpers wit van het zand. Ze kijken verbaasd naar de gespannen menigte.
‘Wat gebeurt hier?’ vragen ze.
Men vertelt hen over het naderende gevaar. Over wat komt.
De reizigers wisselen blikken. ‘Maar er is daar niets,’ zeggen ze. ‘Geen leger. Geen bende. Geen dreiging. Jullie wachten op lucht.’
Wanneer dit Rashid bereikt, verschuift hij onrustig. Het perkament glijdt langzaam uit zijn handen, alsof het zijn eigen gewicht niet langer draagt. Hij zal snel een nieuw verhaal moeten bedenken. Een andere uitleg. Anders verliest hij zijn invloed.
In het vertrek daarnaast legt Qadir zijn hand op zijn voorhoofd, alsof hij ontwaakt uit een te diepe droom.
Op het plein kijkt Samira zwijgend naar haar mand met dadels, alsof ze zich herinnert dat ze nooit echt bang was voor wat buiten lag, maar voor wat in haar hoofd groeide.
Langzaam keren de mensen terug naar buiten. Het besef sijpelt binnen als koude lucht onder een deur door.
‘Wat moeten we nu?’ fluistert Yassin, zijn geladen revolver nu als een kinderspeeltje tegen zijn zij gedrukt. Hij kijkt rond, zoekend naar een antwoord. Maar niemand zegt iets.
Het plein is weer stil, maar het is een andere stilte dan voorheen. Geen gespannen. Geen wachtende. Eerder een lege. Iets blijft hangen, als een echo tussen de muren. Eén enkele zin: Ze zijn niet gekomen.
Maar ’s avonds, wanneer de luiken weer dichtgaan, houdt iedereen toch de adem in. Sommigen menen iets te horen: een tik die nergens bij hoort, voetstappen langs het raam. Of ze zien een schaduw wegschieten onder een lantaarn. Niemand zegt het hardop.
Misschien komen ze toch nog. Of erger, misschien zijn ze er al.
Ze komen er aan
Plaats reactie