Hoofdbanner

De wereld heeft haar mensen uitgedaan

vanuit het perspectief van een kraai
is alles bruikbaar:
de glans van nat asfalt
bot dat wit wordt in de kou
stilte die blijft haken

hij leest niet in verdwijnen
maar in beschikbaarheid van resten

onder hem verschuift de wereld
in haltes zonder wachten

de aarde glad geplooid na regen
een schrift waarin nog letters druipen

maar de taal valt niet samen
met de warmte van een mond

ergens in de marge
een lichaam dat zich herinnert
schouder tegen schouder

er had iemand kunnen zijn
een hand aan de deur
een stem in de gang

maar de wereld heeft haar mensen uitgedaan


Een hand

de deuropening van mijzelf
en niemand doet open

binnen in mij
schuiven kamers langs elkaar heen

ik ben zoveel
de lucht boven verlaten huizen
een wond zonder herinnering

niet het vuur
niet de botsende sterren
niet de oerknal
die de ruimte openscheurde

het was een hand
nog voor mijn naam klonk

een hand die boog
boven leegte

met een stem die zei:
val maar



Er is een er

het zich niet laat aanwijzen
niet in een hoek van de kamer
niet in een scheur in de muur

het zit niet vast aan richting
niet aan hier of daar

het verschuift wanneer ik kijk
als een vorm van weglaten

als mijn handen
het al een keer aanraken
is het voorbij het lichaam

jij komt erin voor
niet als gezicht
maar als ruimte tussen twee ademhalingen

een derde standpunt:
het raam weet niet dat het raam is

er wordt afwezigheid
in jou, in mij

maar soms
in een klein afgebakend gebied
in een allersmalste seconde
als niemand het verwacht
gebeurt het

is het er


Niets ontbreekt

ik schrijf mij
in stukken aan elkaar

er is een tafel
een handschrift
een lijst met feiten

vanuit een andere hoek
een geleend lichaam

ik tel de blauwe plekken op mijn been
als bewijs

in de kamer hiernaast
wordt mijn aanwezigheid bijgehouden

zonder fouten, zonder twijfel
men zegt: er is niets te kort

niets ontbreekt
behalve ikzelf



Delf mijn gezicht

zie de laag onder de laag
van wat ik zeg

een kaart zonder polen
lichtpunten die pas bestaan
als ik er langs kijk

jouw hand noteert
de manier waarop ik verschuif
op mijn wiebelstoel

niet één vorm, maar een reeks
die zichzelf telkens herschrijft

lees mij als de twijfel
die mij moet samenvatten

pas in een later register
word ik herlezen

niet als een uitkomst
maar als iets dat zich opent



Je blijft bewegen

je gezicht verplooit
alsof het iets vergeet

je denkt na
zet je hoofd op een bijzettafeltje
en loopt weg

de wereld zingt anders
wanneer je haar niet draagt

minder lage tonen

je bent vrij
springt als een vis
uit een spiegelglad meer

je keert niet terug
je blijft bewegen