Niemandsland
je doet een deur open
geen gang, geen landschap
geen lucht die zegt waarboven
de stilte hier
verdraagt geen beweging
alle richtingen zijn van niets
je zou kunnen wachten
maar op wat?
misschien is het geen deur
maar een huid die openscheurt
een gedachte die te ver vooruit loopt
een mond die niet weet
waarom hij ademt
je probeert een stap
maar je voet verdwijnt
in iets dat weigert grond te zijn
het is een val
tussen weggaan en blijven
je denkt je naam te horen
dat iemand jou herhaalt
maar het geluid dooft
in de mist van de ochtend
in de verte
roept vrijheid
Warmte
ze wordt beschouwd
als de laagste vorm van energie
maar ik heb haar zien slapen
tussen de tanden van een sleutel
die te lang heeft gewacht
om iets te openen
ze ruikt naar huid
naar de tweede nacht
van een duizelend lichaam
ze tikt met haar nagel
tegen de rand van de wereld
fysici noemen haar laag
een afdaling
alsof einde
geen begin kan zijn
ze verzamelt zich in je keel
in woorden van aarzeling
in je bloed, dat in opstand komt
tegen de kou van kennis
ze hoeft alleen maar
aanwezig te zijn
in wat afkoelt
te zakken
naar de overgave
van de laatste gloed
Verval
ze zegt: ik raak uit elkaar
maar haar stem is rond
als een vrucht die niet weet
wat haar pit is geworden
ze is als kreupelhout
dat alleen nog luistert
naar wat erin kruipt
ongedierte, rotting
ik hoor haar
halverwege een zin stilvallen
alsof het niet meer hoeft
om voltooid te zijn
een vorm is ook maar
een tussenstand
iemand zei: dit is liefde
een uiteenvallen
dichterbij komen
Stilte
de lucht hier ademt
tussen twee barstende bomen
het licht heeft geen haast
meer om te verlichten
in mij beweegt
een rest van zinnen
ze hoeven nergens heen
ik dacht dat stilte
een einde was
maar ze opent zich
als water
in de kom van mijn hand
wanneer ik loslaat
verdwijnt vorm
ik zeg niets
en dat is genoeg
Evenwicht
er hangt een dunne lijn
tussen gaan en blijven
niemand ziet haar
maar ik voel haar trillen
onder mijn huid
ze beweegt even
als een gedachte
die geen richting kiest
ik weet niet
waar ik hoor
hoog of laag
het licht omhoog
leunt hier op zijn schaduw
het gewicht omlaag
is genoeg om te verdwijnen
zolang niets beslist, besta ik
Als ik besta
blijft er iets achter
als ik wegloop uit een kamer
een stoel die nog weet
hoe ik daar zat
of de indruk in het kussen
op de uitgeslapen bank
of het glas op tafel
dat mijn hand nog even vasthoudt
ik zoek mijn naam
op plaatsen zonder stem
in de echo van een poging
die telkens weer weerkaatst
ik hoor mezelf denken
weet niet wie luistert
misschien besta ik alleen
als een ander naar mij kijkt
Onzichtbaar
je legt jezelf neer
met liefde vervuld
op een tafel zonder poten
je tikt, je tast
als een vlies
dat de ruimte omsluit
zonder dat het drukt
onzichtbaar beweeg je
tussen stilteloze muren
de wereld ademt door
onwetend van de lucht
die anders is geworden
maar je voelt, je ruikt
het ogenblik
dat wordt vastgehouden