Veertig jaar is ze, maar ze voelt zich af en toe een bejaarde. Bewegen gaat haar steeds moeilijker af. Zelfs een wandeling van een half uur is al te veel. ‘Reuma’, constateert de huisarts. Hij schrijft haar een stapel pillen voor, dagelijks in drievoud in te nemen. ‘En zoveel mogelijk blijven bewegen,’ houdt hij haar voor.
Maar dat doet ze niet. Het liefst zit ze de hele avond op de bank, tv te kijken. Ze moppert. Op haar man Theo, op het weer, op de collega’s van haar werk die volgens haar allemaal incompetent zijn. De wereld deugt niet, met al die toenemende criminaliteit, en politici die alleen maar zakkenvullers zijn. Ze moppert zelfs op de programma’s op tv, met steeds dezelfde koppen van bekende Nederlanders.
Theo ziet het moedeloos aan, weet niet hoe haar nog op te beuren. Zijn vroegere grapjes lijken uitgewerkt. Heel soms veert ze nog even op, naast hem in de auto op weg naar de supermarkt, als hij scheve bekken trekt en overdreven ernstig en met zware stem herhaalt wat zij zojuist zelf zei. Dan breekt er een glimlach bij haar door, zij het moeizaam. Op dit soort momenten klaart de lucht op en voelt hij zich blij. Voor even dan.|
Op een avond verzamelt hij al zijn moed bij elkaar. Het moet een keer uitgesproken worden.
‘Je bent zo… hard geworden,’ zegt hij.
Ze blijft staan met de afstandsbediening in haar hand. Even is er alleen stilte. Haar adem stokt. Niet van woede, maar van schrik, ziet hij.
‘Hard?’
Theo zoekt naar woorden. ‘Ik bereik je niet meer. Het is alsof je…’
‘Alsof ik wát?’ Haar stem trilt.
Hij kijkt haar aan, te lang naar haar zin. Hij ziet aan haar ogen dat ze zich ontmaskerd voelt.
‘Jij hebt geen idee.’
De afstandsbediening klapt hard op tafel. Voor hij iets kan zeggen draait ze zich om en rent de kamer uit. Theo ziet nog net hoe zich in haar nek de eerste barsten vertonen. Kleine grijze lijntjes die zich schoksgewijs naar boven uitbreiden.
Op haar werk is het niet veel beter. Elke opmerking van een ander valt verkeerd, elke vraag ervaart ze als kritiek. Ze bijt terug, onredelijk hard. Alsof er iets valt te bevechten. Haar collega’s ontwijken haar; ze voelt het, ziet het. En toch kan ze niet stoppen.
’s Nachts ligt ze wakker. Dan voelt ze Theo’s hand voorzichtig naar haar toe bewegen, toenadering zoekend. Maar telkens duwt ze hem van zich af en schuift nog wat verder op, tot de rand van het bed. Aarzelend legt hij zijn hand op haar dij. Tot zijn opluchting laat ze hem begaan. Hij voelt hoe koud ze is, zelfs onder het dikke dekbed. Alsof ze van steen is.
Op een ochtend, terwijl ze zich bukt om haar sokken aan te trekken, valt Theo’s blik op haar benen. Die zien er vaal en grijs uit, vol dunne streepjes. Geen spataderen. Nee, veel enger. Hij schrikt ervan.
‘Je hebt... iets aan je huid,’ zegt hij voorzichtig.
Ze werpt een snelle blik in de spiegel, ziet het ook. ‘De cv-verwarming hier in huis,’ mompelt ze. ‘Het is herfst, hoor. Droge lucht, dit hoort erbij.’
Maar in haar ogen ziet Theo een flits van angst die hij die dag niet meer vergeet. ’s Avonds bekijkt haar nog eens goed. Ondanks het schemerlicht ziet hij het. De lijntjes in haar nek zijn gegroeid tot aan haar kaken. Onopvallend, bijna onschuldig. Als kleine scheurtjes in oud porselein. Haar huid trekt zich strak rond haar mond, zelfs de rimpels op haar voorhoofd zijn verdwenen. Haar ogen staan koud, alsof ze zonder interesse is en niet gericht ergens naar kijkt. Theo herkent haar niet, zo blij en levenslustig als ze vroeger was.
Hij denkt aan hun eerste ontmoeting, twintig jaar geleden. Ze bewonderden dezelfde schilderijen, impressionisten van de 19e eeuw, raakten in het museum in een gesprek dat al snel urenlang in beslag nam. Voor ze het wisten zaten ze in een restaurant Thais te eten. Een glas rode wijn erbij. Nog weer later liepen ze hand in hand een strandwandeling te maken. Waarna ze spontaan en onaangekondigd een duik nam in de zee. En hij er achter aan natuurlijk. Hun kleren nog aan. Tja, het was een bijzondere zomer. Vol warmte en romantiek.
Maar dat is lang geleden. Nu klinkt haar stem, wanneer ze nog spreekt, beangstigend laag. Alsof elk woord eerst door een dikke laag heen moet breken om haar mond te kunnen verlaten.
Theo doet meer dan zijn best. Hij kookt haar lievelingsgerechten, zet bloemen neer, maakt grapjes die vroeger altijd succes hadden. Maar haar gezicht blijft strak, haar woorden schraal. Soms ziet hij in een fractie van een seconde iets zachts in haar ogen, maar het verdwijnt steeds sneller. Een glimlach die nog maar flinterdun bestaat.
De ruzies blijven. Klein, groot, scherp. Hij vlucht vaker naar de tuin, waar hij in de zomer een vijver heeft aangelegd. De goudvissen zwemmen in rustige patronen, oranje strepen in het water. Hij praat zachtjes tegen hen. Het klinkt belachelijk, maar het lucht hem op. De vissen vragen niets. Ze zijn er gewoon.
Met de dag gaat ze verder achteruit. Ze eet haast niet meer, drinkt uitsluitend water, heel veel water. Alleen water kan haar nog bereiken, lijkt het. Ze heeft steeds meer moeite overeind te komen. Haar benen weigeren. Haar armen voelen zwaar.
‘Ik kan niet meer,’ fluistert ze, ‘ik ben op’. Niet boos. Niet hard. Eerder verslagen.
Theo draagt haar naar de bank, de plek waar ze ooit samen films keken, dicht tegen elkaar aan. Nu ligt ze er als een breekbaar beeld. Hij helpt haar drinken. Voert haar als een kind. Hij ziet de barsten met het uur toenemen. Ze bedekken haar hele gezicht, zelfs haar handen en armen zijn ermee bezaaid. De barsten worden scheuren. Brede lijnen. Schaduwen van iets dat op breken staat.
‘Misschien moeten we naar het ziekenhuis,’ probeert Theo, maar ze schudt haar hoofd.
‘Ik wil niet,’ zegt ze.
Het zijn de eerlijkste woorden die ze in maanden heeft uitgesproken. Hij vraagt zich af wanneer hij is opgehouden haar echt te zien.
Die avond blijft Theo bij haar zitten. Hij houdt haar hand vast, bang dat ze verdwijnt als hij loslaat. Haar vingers voelen hol en koud, alsof er ruimte in zit waar vroeger warmte woonde.
Dan gebeurt het. Geen schreeuw. Geen waarschuwing. Geen laatste woord dat in de lucht blijft hangen. Alleen een zacht, rommelend geluid, als een lichaam dat te lang standhield nu besluit te stoppen met doen alsof. Ze valt uiteen. Zomaar, in één keer. Brokstukken stuiteren op de bank, op de grond. Tot er niets meer van haar over is.
Theo staat verstijfd. Hij kan alleen maar kijken, toezien. Dit is het moment waarop hij iets zou moeten doen. Maar hij weet niet wat.
Hij knielt. Zijn handen trillen wanneer hij, wat eens zijn vrouw was, bij elkaar op een hoopje legt. De brokstukken voelen licht. Licht op een manier die hij niet kent.
Hij loopt naar buiten. Natte aarde zuigt aan zijn schoenen. Hij hurkt neer. Hij legt een brokstuk aan de rand van de vijver. Het past precies, alsof het zo moet zijn. Hij haalt een volgend stuk op. En daarna nog één. Hij bouwt door aan wat hij in de zomer begonnen was, maar door alle zorgen mee was gestopt. De rand wordt hoger, karteliger. Strakker. Met een structuur waar niemand de bedoeling van zal begrijpen. Alleen hij. Alsof ze eindelijk op haar plek valt.
Hij legt zijn vingers op het koude oppervlak van de laatste steen. Het voelt nog een beetje als zijn vrouw.
Dan haalt hij diep adem. De vijver ziet er mooi uit. Het ruikt naar aarde en schemer, en iets wat lijkt op rust. De vissen houden zich vooralsnog verborgen onder het rimpelloze water. Die zullen straks, als hij ze gaat voeren, wel tevoorschijn komen.
Hij kijkt opzij, naar de zon die bijna ondergaat. Daarna naar zijn handen, vol aarde. Hij veegt ze niet af.