Hij werd wakker zonder te weten waarom. Het was nog donker. De kamer rook naar nacht en stof, maar er hing ook iets anders in de lucht; hij kon het niet plaatsen. Hij bleef liggen. Luisterde. De koelkast zoemde in de keuken, verder weg dan normaal. De stilte was afwachtend; ze leek zich schuil te houden.
Toen hij opstond, duizelde het hem. Hij greep de deurpost vast. Zijn hand gleed bijna weg over het hout. In de badkamer draaide hij de kraan open. De spiegel was beslagen. Hij veegde hem schoon.
En daar stond hij, zonder hoofd.
Hij verstijfde. Zijn handen omklemden de rand van de wastafel. Hij knipperde, maar het beeld bleef hetzelfde. Geen wond. Geen bloed. Geen rafels of ruwe plekken waar iets had moeten zitten. Alleen afwezigheid, helder en precies.
Hij boog voorover, dichter naar zichzelf toe, om zich ervan te verzekeren dat wat hij zag echt was. Voorzichtig raakte hij de plek aan waar zijn wangen hadden moeten zitten. Niets. Geen vorm, geen huid. Toch kon hij zien, en horen, en ruiken. De geur van tandpasta hing nog boven de wastafel.
Hij draaide de kraan dicht en hing de handdoek recht, meer uit gewoonte dan uit noodzaak. In de keuken leek de vloer hem niet te registreren. Hij zweefde door de kamer, meer dan dat hij liep.
Hij zette de waterkoker aan. Het borrelen klonk onverwacht hard en doordringend, hij schrok ervan. Toen het apparaat klikte, ontspande hij. Een simpel geluid dat zei dat de wereld was zoals bedoeld.
Het was woensdag. Vergadering. Zijn beurt om te notuleren. Hij stelde zich Donders voor: diens meewarige lachje, hand voor de mond, smoezend met Janny. Daarna Janssen, het districtshoofd, wiens ogen dwars door je heen keken.
‘Ik ben vandaag verhinderd: ziek,’ mailde hij. De toetsen boden nauwelijks weerstand; ze leken onder zijn vingers weg te smelten. Nadat hij het bericht had verzonden, bleef hij naar het scherm kijken, onzeker of hij het werkelijk had geschreven.
Buiten ging het leven door. Buren praatten. Een hond blafte. Kinderen liepen in een rijtje langs zijn raam. Eén van hen keek omhoog, hield de pas in. Net lang genoeg om te zien dat er iets niet klopte, iets dat hij zelf nog niet durfde te erkennen.
Zijn telefoon trilde. Maarten. Vanmiddag tennissen. Zon, hitte, drukte. Maartens te luide lach na weer een nederlaag. Hij kon de geur van warm gravel bijna ruiken.
‘Ik sla deze week over, voel me niet lekker,’ appte hij terug. Hij las de woorden drie keer, alsof ze elk moment van vorm konden veranderen.
Hij vroeg zich af of iemand hem zou missen. Hoe belangrijk was hij in het leven van anderen? Nauwelijks, besefte hij.
De dag kroop voorbij. Hij opende een kast, keek erin, sloot hem weer voorzichtig, zonder te beseffen wat hij deed. Zijn bewegingen leken achter te blijven, vertraagd in de tijd, alsof ze niet wisten of ze nog bij hem hoorden.
Hij probeerde te eten. Niets vond zijn weg. Water liep langs zijn borst. Verdween. Soms meende hij heel even kou te voelen, een vluchtige aanraking van de wereld, maar voordat hij het kon bevestigen, was het weg.
’s Avonds zat hij bij het raam. De koelkast zoemde nog steeds, maar gedempter, leek het. Aan de overkant at buurman Gert zijn soep. Rustig, met kleine, beheerste scheppen. Het stelde hem gerust. Het dagelijkse leven bleek dan toch maar als vanzelf voort te gaan.
Voordat hij naar bed ging, schreef hij op een papiertje: ‘Hopelijk is dit tijdelijk.’ Hij legde het op zijn nachtkastje. Toen hij zich uitkleedde, merkte hij dat zijn vingers door de stof heen gleden zonder echte weerstand. Hij stond stil in het halfdonker en probeerde naar zijn hartslag te luisteren. Hij hoorde het, maar ver weg.
Bij het eerste ochtendlicht voelde de kamer platter, zwaarder ook. De lucht drukte tegen hem aan als een dikke deken. Hij wilde zijn armen bewegen, maar er gebeurde niets. Zijn benen bleven stil. Alleen binnenin hem klopte nog iets, klein maar koppig.
Hij hief zich op, de dekens gleden van hem af. Nu werd zichtbaar wat hij al vermoedde. Zijn armen en benen waren weg. Wat overbleef was een romp, netjes, stil. Een afgerond overblijfsel van hem.
Er overviel hem een vreemde rust. Het was niet dat hij niets meer kon; er was simpelweg minder over van hem dat kon mislukken.
Hij probeerde zich om te draaien maar vond geen houvast. Uiteindelijk rolde hij tot de rand van het bed. Met een doffe klap viel hij op het vloerkleed. Het deed geen pijn. Het voelde ook niet koud of warm. Meer als een herinnering aan dons.
De wekker tikte door. Een auto reed langs. Kinderen lachten buiten. Alles ging verder, zonder hem nodig te hebben. Een stille troost.
Toen hoorde hij een vogel zingen. Schor, aarzelend, alsof het dier niet zeker was dat het gehoord werd. Het klonk nieuw. Rauw, zonder verwachting. Hij luisterde aandachtig. Niet met oren, maar met wat van hem overbleef.
Hij stelde zich voor dat hij gevonden zou worden. Door de buurvrouw misschien, met de reservesleutel. Ze zou schrikken, hulp halen. Hij zou naar het ziekenhuis worden gebracht, voorzichtig, in stilte. De verpleegster zou hem in witte doeken wikkelen, laag na laag, tot er geen scherpe randen meer over waren.
Hij zag zichzelf al liggen, rond en stil, zonder verplichtingen, zonder onderdelen die nog iets van hem eisten. Buiten zou dezelfde vogel zingen. Misschien luider dan eerst. Of misschien was hijzelf dichter bij zijn gezang gekomen.
De wereld sloot zich om hem heen, niet verstikkend, maar beschermend. Hij was niet aan het verdwijnen. Nee. Er wachtte iets. Hij wist dat hij het zou herkennen.