Ik lig op mijn rug in het gras. Het prikt in mijn nek. Dwars, tegen de zwaartekracht in. Een teken dat ik besta. Boven mij is alleen maar blauw. Geen wolkje, geen vogel, niks. Alleen dat eindeloze, stralende blauw.
Ik blijf kijken. Zachte armen tillen mij omhoog. Eerst mijn ogen, dan mijn hoofd, dan de rest van mij. Tot ik helemaal in het blauw zit. Blauw ben.
Het voelt er koel en licht, als zwemmen zonder water. Mijn lichaam is een gedachte geworden, uitgelopen aan de randen. Ik beweeg mijn armen en benen. Traag, als in een droom. Ik hoef nergens aan te denken. Alles wat ik ooit was, is stil geworden. Alleen dit moment telt.
Beneden mij ligt de tuin. Een groene vlek met een klein stipje erin. Ben ik dat? Of ben ik dat niet meer? Mijn naam is ver weg, als een woord in een andere taal. Misschien hoor ik hier, in het blauw, waar de tijd zich uitrekt in één lange gaap.
Een briesje strijkt langs mijn gezicht, als een fluistering. Ik knipper, even. En dan, alsof iemand het licht uitdoet, lig ik weer in het gras. Het prikt nog steeds, dwars in mijn nek. Boven is opeens ver weg.
Er komt een herinnering boven, als een witte wolk langs de hemel. Ik ben klein, nog geen zes. Mijn moeder zit op het balkon en breit iets. Ik weet niet meer wat. Een trui misschien. Of een muts. Ik zit op de stoep met krijt, teken huizen en bomen en een zon met een glimlach. De lucht is blauw die dag. Niet zomaar blauw, het is precies het blauw van vandaag. Alsof de hemel zich toen al aan mij openbaarde. Mijn moeder roept iets. Haar stem is helder, licht. Ik kijk op, lach terug. Alles is eenvoudig en groot.
Iemand gooit een steen in mijn vijver van gedachten. Kringen trekken weg. Alleen het gevoel blijft achter: licht, zacht, een beetje weemoedig.
Ik zucht, sta op en ga naar binnen. Een schaduw glijdt met me mee, alsof ook hij is teruggekeerd van ergens anders. Binnen ruikt het naar zon op hout. Naar gisteren en morgen tegelijk. Ik sluit de deur, maar het blauw blijft om mij heen hangen. Stil. Koeltjes. Alsof het me heeft meegenomen, een klein beetje maar. Genoeg.
In de keuken staat een glas op tafel, halfvol water. Het vangt het licht dat door het raam valt en werpt een vlek op het tafelblad, een stipje dat dansend heen en weer beweegt. Ik ga zitten en kijk ernaar. Het is niets, bijna niets, en toch blijf ik kijken. Het lijkt een echo van het blauw van daarnet, maar dan breekbaar, tastbaar, alsof ik het zou kunnen drinken.
Mijn vingers glijden over het hout. Er zit een barst in het tafelblad, al jaren, als een litteken dat niemand stoort. Buiten klinkt een vogel. Even maar. Ik weet niet welke. Ik weet alleen dat het goed is dat hij er is. Ik hou van vogels.
Ik sluit mijn ogen. Vanbinnen is het nog altijd blauw. Niet de lucht, niet de hemel, maar iets in mij. Iets dat open is gegaan en rustig is blijven liggen.
De deur kraakt. Hakken op de vloer. Langzaam, bijna twijfelend. Dan een stem.
‘Ben je hier?’
Ik open mijn ogen. Zij staat in de deuropening, met een vouw in haar voorhoofd alsof ze iets is vergeten. Haar haar is rommelig, er zit een grasspriet in. Ik zeg niets. Ze kijkt naar me, naar het glas, naar het licht.
‘Je ziet eruit alsof je bent teruggekomen van een verre reis.’
Niets verbaast me. Dat deze vrouw hier voor mij staat, mij vragen stelt alsof zij hier woont in plaats van ik.
‘Misschien ben ik dat ook,’ is mijn halfslachtige antwoord.
Ze glimlacht. Niet vragend, niet zeker. Gewoon even.
‘Waar was je dan?’
‘In het blauw.’
Ze trekt een stoel naar achteren, gaat zitten. Pakt het glas water en houdt het tegen het licht.
‘En? Was het mooi?’
‘Ja. Kalm. Alsof er niets hoefde.’
‘En nu?’
Ik kijk naar haar handen. Dunne vingers, een kleine snee op haar duim.
‘Nu is het alsof het nog een beetje blijft hangen. Hier.’ Ik tik op mijn borst.
‘Dan moet je niet te hard praten,’ zegt ze. ‘Misschien schrikt het anders weg.’
We zwijgen. Buiten tikt iets tegen het raam. Een blad misschien. Of een gedachte die is achtergebleven.
‘Kom,’ zegt ze. ‘Laten we naar buiten gaan. De zon schijnt, het is prachtig weer.’
Ik knik terwijl ze mijn hand pakt. Even later dansen we met z’n tweeën op het gras, op blote voeten. Elegant en zwierig, alsof we nooit anders hebben gedaan.