Sinds hij weg is, ademt het huis anders. Het kraakt niet langer op de plekken die ze kende, maar in nieuwe hoeken. Geluiden uit de muren, ergens hoog bij het plafond. Ze schrikt er telkens van. Alsof het haar iets wil zeggen.
’s Nachts ligt ze wakker en telt de stiltes tussen de geluiden. Soms hoort ze iets dat op een stap lijkt, dan weer iets wat klinkt als het neerzetten van een glas. Ze weet dat het niet kan, en toch luistert ze. Elke nacht iets aandachtiger dan de vorige. Misschien is luisteren een manier om hem te bewaren.
Overdag probeert ze gewoon te leven. Ze zet koffie, draait de planten naar het licht, veegt kruimels van het aanrecht. De televisie speelt op de achtergrond, niet om te kijken, maar om de leegte te verdrijven.
Ook het interieur lijkt veranderd. De klok loopt onregelmatig. De ramen beslaan van binnenuit. Soms ruikt ze zijn aftershave, terwijl ze zeker weet dat die fles al weken leeg is. Een keer vond ze zijn mok op tafel. Niet waar ze hem had neergezet, maar iets verschoven, nauwelijks merkbaar. Ze wilde hem oppakken, maar deed het niet. In plaats daarvan bleef ze kijken, minutenlang, in verre gedachten verzonken.
Later probeerde ze te schrijven. Ze had papier gepakt, een envelop, en zijn naam bovenaan gezet. Haar pen aarzelde. Wat valt er nog te zeggen tegen iemand die niet meer terugkeert?
Ze dacht aan de laatste ochtend, zijn trage gestalte, zijn donkere ogen, de zin die hij halverwege inslikte.
Sindsdien leeft ze in die onafgemaakte zin. Elke dag vult ze hem in met een ander einde, maar geen ervan klinkt waar. De avonden zijn het moeilijkst. Dan vult de schemer de kamer, en lijkt alles gewichtloos: het stof in de lucht, haar handen, de foto’s aan de muur.
In de gang kraakt een plank, altijd dezelfde. Ze heeft geprobeerd er een boek op te leggen, om te testen of het aan het hout lag. Het boek dat hij voor haar heeft achtergelaten. Het hielp niet. Het boek bewoog niet, maar het geluid bleef.
Soms denkt ze dat hij nog iets probeert te zeggen. Niet als stem, maar als aanwezigheid, in de manier waarop het licht over de tafel schuift, of de brievenbus tikt wanneer er niets bezorgd wordt.
Ze durft er niet over te praten. De buren zouden haar aanzien voor iemand die het niet kan loslaten. Maar loslaten, wat betekent dat eigenlijk? Alsof herinnering iets is dat je neerlegt, als een jas die te zwaar is geworden.
Op een nacht hoort ze opnieuw dat geluid. Eerst zacht, dan dichterbij. Ze blijft liggen, ogen open, handen op de dekens. Een stap, nog een, dan stilte. De lucht lijkt te trillen, en in dat trillen meent ze iets te horen, iets wat tussen woorden in hangt.
Ze fluistert zijn naam. Geen antwoord. Alleen het zachte, lange uitademen van het huis. Ze draait zich om in haar kussen. Hoort haar eigen hartslag. Ze wordt er bang van. Straks houdt hij misschien op.
’s Ochtends ligt er een haar op haar kussen. Te grijs om van haarzelf te zijn. Ze bekijkt hem tegen het licht van de lamp, legt hem in de lade van het nachtkastje, bij de sleutelbos die hij altijd vergat mee te nemen. Dan sluit ze het laatje.
Buiten huilt de wind. Binnen houdt alles zijn adem in.