Hoofdbanner

Sinds een paar dagen durf ik mensen geen hand te geven. Ik ben bang, ongelooflijk bang. Alleen al het vooruitzicht een bekend iemand op straat tegen het lijf te lopen zorgt voor nieuwe hartkloppingen. Ik voel me als een brugpieper op zijn eerste dag op school. Hoe heb ik het zover laten komen?
Op mijn werk kan ik nog ongestoord mijn gang gaan. Albert is zo bijziend als de pest, de goedzak zal er niets van merken. Carla van administratie is twee weken op vakantie, gelukkig. Normaal ben ik al op mijn hoede voor haar scherpe opmerkingen, laat staan hoe ze nu zou reageren. Een tante om voor op te passen. Die loensende Ten Boone ten slotte is alleen maar geïnteresseerd in cijfers, harde cijfers. Het moet hem duizelen, van berekeningen, prognoses, winstcijfers. Zolang ik hem die overleg, zal hij zelfs een been niet missen.
De klanten, daar moet ik iets op bedenken. De afspraken voor een stuk of zes intakegesprekken liggen vast. Die kan ik niet cancelen. Ik kan me natuurlijk ziek melden, of een smoesje verzinnen.
Nee, dan Liesbeth, mijn vrouw. Zij zal er achter komen. Elke dag dat ik niet word betrapt beschouw ik als een gewonnen dag. Ze had verbaasd naar het verband gekeken. Ongelukje op het congres gisteravond, zei ik voor ze er zelf om kon vragen. Met mijn hand in een stuk glas gevallen. Naar de dokter geweest? Ik knikte. Om vervolgens te zeggen dat het niks voorstelde en dat het er volgende week af mocht. Ze keek me aan met een mengeling van zorg en wantrouwen, maar zei verder niks.

Ze was bij haar moeder toen de politie aanbelde. Daar had ik geluk mee. De ene agent, klein van stuk en met een veel te grote pet op, deed het woord. De ander, fors van postuur en met een afhangende snor, keek me doordringend aan. Of ze even binnen mochten komen. Waarom, vroeg ik. Voor een paar vragen, was het antwoord. Het zweet brak me uit. Rustig blijven, niets laten merken. En vooral, mijn hand achter mijn rug houden.
De vragen hadden niets met mij van doen. Pff, een man aan de overkant van de straat was afgelopen nacht neergestoken. Of ik een verdacht geluid had gehoord? Nee, geen verdacht geluid gehoord. Tot ziens, beste dienaren der wet. Ja, ik zal bellen wanneer me iets te binnen schiet.

Ik kijk naar een al eerder opgenomen film op tv. Mulholland drive, heet ie. Ik kan er geen touw aan vastknopen. Spannende scènes, dat wel. Steeds op het moment dat ik denk de clou te snappen vallen er personages de film binnen die het voorgaande volledig onderuit halen. Zal wel moderne kunst zijn.
De vingers van mijn hand branden, pijnscheuten trekken op tot in mijn schouders. In de keuken laat ik een straal koud water de boel afkoelen. Na een minuut ebt de ergste scherpte weg.
Met mijn andere hand schenk ik een glas rode wijn in, wat best lastig gaat. Twee handen kunnen meer dan één, zei mijn moeder vaak. Dat klopt, hoewel zij er ongetwijfeld iets anders mee bedoelde dan de situatie waarin ik mij nu bevind. Een eenarmige bandiet ben je, spreek ik mezelf als grapje toe. Ach ja, dan kan ik ten minste nog, om mezelf lachen, ondanks mijn situatie.
De aangebroken Zuid-Afrikaanse Droë Rooi van Liesbeth smaakt voor geen meter. Niets anders in huis, gisteravond de laatste fles Tempranillo soldaat gemaakt. Zonder dat we iets te vieren hadden overigens, gewoontedrinkers als we zijn geworden, Liesbeth en ik. Ach ja, je moet toch wat om de sleur te doorbreken.
Iets pittigers, daar ben ik beslist aan toe. In de kast in de kamer staat een nog bijna volle fles jonge jenever. Ik voel hoe mijn keel in brand staat en een zachte verdoving toeslaat. Nog ruim twee uur, dan zal Liesbeth thuiskomen. Ach, wat hou ik van haar. Zij is het fundament van mijn leven. Sinds twee jaar nog maar, maar het voelt als een leven lang. Onze eerste ontmoeting, op het kantoor bij Evertsen. Ik mocht de man niet. Te gehaaid, te slim om mee te onderhandelen. Hij bood mij een belachelijk bedrag om mijn, mag ik toch wel zeggen, befaamde cursussen te geven. Liesbeth zat schuin naast hem. Ze keek af en toe vanachter haar bril omhoog, ging daarna verder met notuleren. Geen moment een blik richting mij. Ze had iets wat mij intrigeerde. Niet dat ze bijzonder knap was, het was haar lichaamshouding die iets onbekommerds had. Iets authentieks, totaal niet passend bij de gelikte onderneming die Evertsen leidde. Pas bij het afscheid keek ze mij aan, met een vlam in haar ogen die mij raakte. Toen ik de deur achter me dicht deed, aarzelde ik. Ik wilde terug, nog iets zeggen. Om mij nog één keer door die vlam te laten treffen. Maar het kon niet, ik was in gesprek geweest met Evertsen, niet met mevrouw van Rosmalen, zoals haar naamkaartje vermeldde. Pas later vernam ik dat ze Liesbeth heette.

Onwillekeurig moet ik nu ook aan mijn opa denken, de vader van mijn moeder. Ze vertelde het toen ik vijftien was. Het was ruim 25 graden, we zaten in de voortuin, op het gazon dat mijn opa zelf ontworpen had, volgens de contouren van de plattegrond van Nederland. Ineens ging ze recht voor me zitten, een diepe rimpel op haar voorhoofd. Zo had ik haar niet eerder gezien. Ze legde haar hand op de mijne, wachtte even en begon te vertellen. Het was in de eerste dagen na de bevrijding. Mijn opa was acht jaar en lag in een zaal vol jongetjes tussen de zes en tien. Het was er angstwekkend stil, niemand zei iets of verroerde zich. Eén jongen die zachtjes om zijn moeder huilde werd door de oudere jongens gemaand zich koest te houden. Anders zou de bewaker langskomen en hen allemaal een pak ransel geven.
De moeders van al deze jongetjes waren de dagen ervoor met geweld uit huis gehaald en in vrachtwagens met laadbakken geladen, waarna ze onder luid gejoel door de straten werden gereden. De meesten kaal geschoren. Ze werden door opgewonden mensen langs de kant van de weg beschimpt en bespuugd. Nog maanden heeft mijn opa in datzelfde tehuis doorgebracht, als verschoppeling voor wie geen plaats was in de maatschappij. Het erge was dat hij last had van bronchitis en door zijn gehoest de halve slaapzaal wakker hield. Met als gevolg dat de andere jongens een bloedhekel aan hem hadden. Zijn eten werd afgepakt, hij durfde zich niet te wassen uit angst dat ze langdurig zijn hoofd onder de kraan hielden, zoals hem dat één keer was overkomen. Ook durfde hij niet naar de wc, waarop hij meerdere malen in zijn bed plaste, met alle vernederingen van zowel oppassers als jongens van de zaal van dien. Toen hij een keer door een dokter werd onderzocht en zijn hemd moest uittrekken bleek hij over zijn hele huid zweren te hebben. Van zijn oksels tot zijn middel liepen twee rijen luizen. Er afwrijven met een doek lukte niet, de dokter moest ze met een lepel van zijn huid afschrapen. Uiteindelijk belandde hij in een pleeggezin. Een lief gezin, dat wel, met drie eigen kinderen. Zijn eigen moeder heeft hij nooit meer gezien. Hij heeft ook nooit om haar gehuild, daarvoor was de ontzetting te groot. Zij schijnt een paar jaar later in een gevangenis zelfmoord te hebben gepleegd.
Dit alles vertelde mijn moeder alsof er een last van haar afviel nu het gezegd was. We staarden voor ons uit. Wat moest ik met deze informatie, wil ze zichzelf vrijpleiten van het feit dat ze vroeger toen ik nog klein was zelf zo vaak afwezig was, voor haar werk ’s avonds of haar optredens in het land? Mij zoals zo vaak aan onze oppas Rosa toevertrouwend. Ach ja, die Rosa. Als ik die niet had gehad.
Van mijn opa zelf kan ik me alleen herinneren hoe ik als klein kind op zijn schoot zat. Waarbij hij mij onverwachts liet vallen, zo tussen zijn benen door, tot bijna op de grond, waar hij mij nog net opving. Bulderend van het lachen. Een lach zo hard en overdreven dat ik me er onbehaaglijk bij voelde. Ik wist toen niets van zijn verleden. Ook niet van de grote schulden die hij bij zijn pleeggezin had opgebouwd.

De bel gaat. Ik schrik me rot en gluur langs het gordijn naar buiten. In de schemering valt niets te zien. Een auto zoeft door de straat, meer niet. De bel gaat opnieuw. Wie kan dit zijn, op dit tijdstip? Een collectant voor een of ander goed doel? Als de bel voor de derde keer overgaat, stap ik op de deur af. Plotseling kijk ik in de ronde ogen van Clair.
“Jij hier?”, hoor ik mezelf zeggen.
Ze aarzelt en slaat een moment haar ogen neer, naar de tas die ze in haar hand draagt.
“Eh ja, mag ik even binnenkomen?”
Kennelijk kijk ik haar niet-begrijpend aan, want ze vervolgt:
“Ik wil toelichten wat er is gebeurd. Ik hoop dat je mij begrijpt.”
“Ik wil je zeggen hoe het mij spijt,” zegt ze.
“Dat het jou spijt? Na alles wat ik jóu heb aangedaan?”
“Ik heb je in een lastig parket gebracht. Dat was niet mijn opzet. Ik wil het goedmaken. Kijk, wat ik heb meegebracht.”
Ze houdt een tasje omhoog. Ik kijk haar kennelijk niet-begrijpend aan, want ze knikt veelzeggend:
“Hier zit alles in.”
Nog altijd verbouwereerd laat ik haar binnen.
Ze neemt als vanzelf plaats op de bank, precies op de plek waar Liesbeth altijd zit. Ze doet haar tasje open. Een wit pakketje komt tevoorschijn. Langzaam rolt ze het verband er af. Als de inhoud zichtbaar wordt, val ik flauw.

Ik zak terug op de bank. Dinsdagavond, het regende pijpenstelen toen ik bij Van Dam aanbelde. Clair opende de deur, met een glimlach. Ik had op mijn hoede moeten zijn, juist door die glimlach, maar ik zat met mijn gedachten te veel bij wat ik tegen Van Dam moest zeggen.
Het rook muf in zijn kamer. Van Dam keek me aan met een blik waaraan niets te ontdekken viel. Zou hij argwaan koesteren?
Ik nam plaats op de stoel tegenover hem. Hij stak een sigaret op en keek mij door een wolkje rook met samengeknepen ogen aan.
“Tja, ik heb er lang op moeten wachten. Veel te lang voor iemand met zo’n erfenis als jij. Heb je het nu eindelijk bij je?”.
Ik keek half naar achteren, waar Clair stond. Ze keek de andere kant op. Van haar hoefde ik duidelijk geen medewerking te verwachten.
“Eh, volgende week krijg je alles.”
“Volgende week is te laat.”
“Geef me nog drie dagen, dan heb ik het echt, dat beloof ik”, smeekte ik.
Van Dam zei niets, inhaleerde nog eens diep en blies de rookwolk in mijn richting.
“Goed”, zei ik, “ik heb een voorstel, ik geef je een onderpand.”
Het was mijn mond uit voor ik er erg in had. Een onderpand? Wat zou ik moeten geven?
“Hahaha”, bulderde hij, “je hebt niets, man.”
“Eh, iets dierbaars”, vulde ik snel aan.
“Zoals wat?”
Ik raakte in paniek. Wat zat ik hier te raaskallen? Iets dierbaars? Wilde ik Liesbeth soms voor een nachtje weggeven, zoals in die film met Robert Redford?
“Eh... iets van mezelf.”
Er verscheen een glimlach om Van Dam’s mond.
“Iets van jou, waarmee je bijvoorbeeld aan mijn lieve Clair hebt gezeten?”
Het zweet brak me uit. Ja, nee, ik wist het niet. 
"Nee, niet mijn vinger," bracht ik stamelend uit, denkend aan een idioot verhaal van Roald Dahl.
Van Dam veerde op vanuit zijn stoel. Zijn vierkante kop met borstelige wenkbrauwen stond op drie dagen onweer.
“Onzin”, brieste hij, met zijn vuist op tafel slaand. “Waar hebben we het in hemelsnaam over? Je zult moeten boeten voor je verleden, joh. Ik wil geld hebben, niets anders.”
Met een woest gebaar trok hij zijn bureaula open en haalde een blinkend voorwerp tevoorschijn.

“U mag vanmiddag naar huis”, hoor ik opgewekt zeggen, terwijl er een glas jus d’orange naast mijn bed wordt neergezet.
Ik kijk om me heen. Waar ben ik? Het lijkt wel een hotel hier.
“Rust maar goed uit de komende dagen. Dat zult u nodig hebben. We dachten dat u nooit zou ontwaken.”
“Eh, wat is er met me gebeurd, zuster?”
“Weet u dat niet meer? U werd hier gisteravond bewusteloos binnengebracht. Een ongeluk met uw hand, geloof ik. De kans op bloedvergiftiging was groot, vandaar de operatie.”
Ik haal mijn rechterhand naar boven. Door het verband heen knijp ik in mijn vingers. Bovenaan bij de middelste zit geen gevoel. Ik knijp nog een keer, wederom niets. Verrek, vloek ik hardop. Met een zucht laat ik me terug in de kussens vallen.
“Wilt u verder nog wat eten of drinken?”
Zonder mijn antwoord af te wachten neemt ze het dienblad weer mee en verdwijnt door de deur.
Nee, ik wil niets. Geen eten, geen drinken, niet naar huis.
Ik ben bang, onbeschrijflijk bang. Voor Liesbeth, voor de mensen op straat, voor die op mijn werk. Zelfs voor die loensende Ten Boone, hoewel die alleen maar geïnteresseerd is in cijfers en zelfs een been niet zou missen.