Hoofdbanner

Geen flauw idee wat mij bezielde, misschien de gedachte dat ik door af te snijden eerder thuis zou zijn, maar ineens sloeg ik rechtsaf, een onverlichte smalle straat in. Ik was hier nog nooit geweest. Het gerammel van mijn achterspatbord band echode tegen de kale muren van de arbeiderswoningen die hier kennelijk door een gierige projectontwikkelaar zo strak mogelijk op elkaar waren gepropt. Dat in deze lilliputterhuizen mensen woonden! Er lag een grijze waas over de daken, als een verstikkende deken die de huisjes nog kleiner maakte. Het miezerde, het was koud.
Het deed me niks. Als een uit de hemel neergedaalde engel zweefde ik op mijn fiets door de nacht. Trappen kostte me geen enkele moeite, energie te over. Novocaine for the Soul. Mijn lichaam spatte haast uit elkaar van geluk. Ik had al hun nummers wel willen horen, zo intens was alles binnengekomen. En dan die verhalen er omheen, de manier waarop Mo als een briljante student elke tempowisseling uitlegde, wauw. Alles was briljant deze avond. De briljante Mr. E, zoon van de even briljante natuurkundige Hugh Everett, diens briljante theorie van de veel-werelden. We vergaten de muziek, voelden ons verlichte filosofen die bezig waren op deze avond alle raadsels in de wereld in één keer op te lossen. Eerlijk gezegd kon ik er geen touw aan vastknopen, maar alles wat Mo zei klonk fantastisch. Hoe het ene ingrijpt in het andere, onverklaarbaar en toch heel logisch. Niets is wat het lijkt, het leven hangt van niet vervulde functies aan elkaar, dat we dat niet eerder hadden begrepen. Het is maar welke keuzes we maakten. Tot we terugzakten in onze bank om terug te keren bij Novocaine for the Soul met de bijbehorende clip op het televisiescherm. Ontnuchterend, op dat moment. Jasper zei dat hij alle muziek van Eels kon streamen.

In de verte brandde licht, uit een openstaand zolderraam ergens rechts klonk een bonkend houseritme. Verder was het stil en donker, vooral erg donker. Mijn koplamp zorgde voor een scherpe afbakening, alsof buiten mijn eigen beperkte lichtvlek geen leven bestond. Er hing iets in de lucht. Mijn stemming sloeg om, ik was niet langer een engel, maar een doodgewoon aards iemand van 21 die te veel heeft geblowd en gedronken. Het fietsen werd zwaarder, het achterspatbord sleepte nog harder aan. Boink, boink. Het voelde alsof iets wakker geschud zou worden en elk moment vanuit een donker steegje tevoorschijn kon springen. Een gedrocht uit een of andere horrorfilm. Here’s Johnny, meende ik al te horen roepen. Ik trapte harder door. Het zweet gutste onder mijn oksels tot in mijn mouwen. Arbeidershuisjes te over, je kon je afvragen hoeveel fabrieken er hier vroeger gestaan moesten hebben. Ik zag ze in gedachten naar de fabriekspoort sjokken, al die stoere kerels, om ’s avonds moe en afgepeigerd thuis te komen, aan de drank te gaan om vervolgens vrouw en kinderen af te rossen. Tja, vrolijk is het leven niet te noemen. Is dit de hel, mag ik dit vragen? Ja, zou Mart Smeets zeggen, dit mag ik vragen, dit is de hel. De hel van het noorden, welteverstaan. Eindeloos is de fietstocht over kasseien, te midden van plassen water, het vele modder in al die verwarrende zijstroken van het leven, er komt geen einde aan. Ilse zal wel naar bed zijn, ging het door me heen, laat ik zodra ik thuis ben stil doen, dat ik haar niet wakker maak.

Ze lag op de bank, een fleece-deken over zich heen getrokken. De schemerlamp boven de tv belichtte haar als een schone slaapster, wachtend om wakker gekust te worden. Ik besefte opnieuw wat een bofkont ik was, hormonen borrelden op, stegen naar mijn hoofd. Maar hoe het kwam wist ik niet, opeens lag ik languit op de grond. Ik was beduusd, voelde aan mijn voorhoofd. Ilse sliep door alsof ze de knal niet had gehoord. Ik snapte er niets van. Mijn schouder leunde tegen iets als een glazen wand, alsof een grappenmaker deze stiekem in onze kamer had geplant om eventuele inbrekers buiten te sluiten. Of om Ilse te beschermen tegen ongenode gasten. Het was belachelijk, de kamer in tweeën gesplitst, ik aan de ene kant en Ilse aan de andere. Zou ze me kunnen horen? Ik tikte met mijn knokkels tegen het glas. Ze reageerde niet. Ik bonkte nu, met beide vuisten, begon te roepen. Ze draaide zich langzaam om, opende haar ogen. Ik begon met mijn platte hand te slaan. Er volgde slechts een vermoeide blik op haar horloge, een diepe zucht. Ze ging rechtop zitten, keek plotseling in mijn richting. Een ongekende hoop overspoelde mij, hartstochtelijk ging ik zwaaien, alsof mijn leven ervan afhing. Met elke zwaai wierp ik haar liefde toe, een omhelzing zoals ze die nog nooit van mij had meegemaakt. Ik zou haar nooit meer bedriegen, ze was mijn alles, zonder haar kon ik niet leven. Maar ze zag me niet, stond op, gapend met een hand voor haar mond, de fleece-deken achter zich aan slepend. Nog eenmaal keek ze achterom, nieuwe hoop vlamde in mij op, ze ziet mij, ze ziet mij. Maar ze knipte het licht uit, verdween bij de trap naar boven, als een nachtkaars die langzaam de hoek om ging, mij achterlatend in een donker huis dat vreemd voor mij was, dat mij weigerde te accepteren zoals ik was. Er zat maar één ding op, teruggaan naar Jasper, de avond herbeleven, alles opnieuw doen maar dan anders.

In het studentenhuis van Jasper was het anders dan anders geweest. Niet eens door Yasin die wat extra joints had meegenomen, of door Koen met zijn kratten bier en twee flessen jonge jenever. Het was de doorgaans zo stille Mo die deze avond echt op tilt was geslagen, alsof hij in één keer het licht had gezien. Met zijn hoekige neus en warrige haarbos leek hij met recht een jonge Einstein die ons even tussen neus en lippen door revolutionair nieuwe inzichten voorschotelde. Zelfs de tweeling luisterde met open mond naar zijn wetenschappelijke verhandelingen, gebaseerd op bepaalde ontwikkelingen in de quantummechanica. Het begon zoals gezegd met de muziek van Eels, maar dat was slechts een springplank. Wat hij zei sloeg eigenlijk nergens op, moest ik bekennen, alle logica ontbrak, we lagen af en toe ook dubbel van het lachen, maar iets erin raakte mij. Alsof zijn bizarre gedachten zich als wormen in mijn hersenen nestelden, oude aarde doorploegden, dat er nieuw land bovenkwam met openingen naar een onderaardse stroom die ik daarvoor niet kende. Of was het door het nieuwe meisje Irene? Ik kon mijn ogen niet van haar afhouden. Sluik haar, sproeten en zo’n grappige wipneus, in het zwart gekleed als een gothic girl. Ze lachte op een aandoenlijke manier, met kuiltjes in haar wangen, maar zei verder weinig. Ik probeerde zo dicht mogelijk naast haar te gaan zitten, een gesprek met haar aan te knopen, maar Jasper vroeg me telkens om wat hapjes voor te zetten. Zelf besloot ze op een gegeven moment op de stoel bij de verwarming plaats te nemen, naast Margot, de truttige studente van dezelfde etage als die van Jasper. Studeerde psychologie. Geen andere stoel of bank in de buurt, geen mogelijkheid om bij die twee in te breken, kans verkeken, stommerd die ik was. Drank mochten we uit de koelkast halen, zei Jasper. Zelf dronk hij water. De volgende ochtend moest hij trainen, drie uur schaatsen onder leiding van zijn autistische coach, zoals hij hem noemde. Tja, als je tegen de nationale selectie aanzit moet je er wat voor over hebben.
Het meisje Irene bleek bij Mo te horen. Althans, ze gingen samen de deur uit. Jasper zette nog muziek op die ik samen met de tweeling absoluut moest horen. Koen lag al een tijdje languit op de grond, Margot had zich op haar kamer teruggetrokken om nog wat te studeren, zoals ze dat noemde, terwijl Yasin op de bank stil en glazig voor zich uit zat te kijken. Verder kon ik me weinig herinneren. Op een gegeven moment moet ik mijn jas gepakt hebben en zijn opgestapt.

Ik reed de winkelpromenade helemaal terug af. Maar het straatje waar ik eerder die nacht uit was gekomen kon ik niet vinden. Iemand kwam een steegje uitlopen, ik herkende haar meteen.
“Jij hier?” vroeg ik. Ik zag dat ze gehuild had, haar mascara was gedeeltelijk uitgelopen.
“Waar is Mo?”
Een stomme vraag, besefte ik meteen. Ze friemelde in haar jaszak, keek mij zijdelings aan en veegde met een papieren zakdoek haar wang af.
“Ik weet het niet,” zei Irene. “Ik was hem opeens kwijt. Hij vertelde zulke vreemde dingen dat ik er met mijn gedachten niet bij was. Ik dacht dat hij achter me liep, maar ineens was hij foetsie, zomaar in het niets verdwenen. Ik loop hier al een paar uur rond. Ik ken deze stad niet. Ik heb Mo gebeld en appjes gestuurd, maar hij…”
Ik had met haar te doen, de lieve meid. Maar ik kon haar toch niet mee naar huis nemen? Wat zou Ilse ervan denken? Dat ik een nieuwe scharrel had?
“Maar wat doe jij hier?”.
Kennelijk had ze haar verdriet gelijk met haar zakdoekje opgeborgen. Ze keek nieuwsgierig naar mij op.
“Dat is een ingewikkeld verhaal,” begon ik. “Ik snap het zelf ook niet. Maar ik heb een idee, laten we teruggaan naar vanavond. Ik heb ergens een verkeerde afslag genomen en jij bent Mo uit het oog verloren. Laten we kijken waar en wanneer het mis is gegaan. Misschien dat we dan meer helderheid krijgen.”
We liepen de straat uit, het stuur van mijn fiets in mijn ene hand, mijn andere hand in die van Irene. Het voelde vertrouwd zo midden in de nacht met elkaar te lopen, alsof we al jaren een stel waren. Ze begon te praten, over haar familie, over de opleiding die ze sinds een jaar volgde, het hield niet op. Ik bromde af en toe wat, voor haar een aanmoediging verder te vertellen, over Mo, hoe ze die ontmoet had met zijn rare theorieën. Dat hij beweerde dat het leven elk moment een andere wending kan krijgen, dat je dan terecht komt in een wereld die niet de jouwe is, afgescheiden van wat je bekend is. Ja, ik herinnerde het me, hoe Mo ons die veel-werelden-theorie uitlegde. Volgens hem de verklaring voor alle gebeurtenissen in het leven die wij niet begrijpen. Het feit dat wij dit op onze beurt niet begrijpen was volgens hem juist weer de bevestiging van zijn theorie. Nou ja, toen was ik onder de indruk, maar nu kwam het mij voor als geraaskal van een warhoofd. Alsof er meer dan één werkelijkheid zou zijn. Het was zo in strijd met de ons bekende feiten dat het echt nergens op sloeg. Moderne wetenschap, aan me hoela. Gewoon luchtfietserij.
Terwijl ik luisterde en af en toe begripvol knikte draaide Irene zich opeens naar mij toe en kuste mij vol op mijn lippen. Ik kon niet anders dan mijn mond openen en haar zachte tong naar binnen laten glijden. Oh, wat was ik gewillig. Mijn linkerhand ging instinctmatig zijn eigen gang, vergat zijn taak. We schonken beiden geen aandacht aan het gekletter van metaal op stoeptegels. Een fiets kon ons op dat moment letterlijk gestolen worden. Wel vijf minuten bleven we zo staan, heftig zoenend. Haar warmte sloeg armen om mij heen waarvan ik wilde dat die mij nooit meer loslieten. Ik zweefde weg tot hemelse hoogten, tot er een auto langskwam en heel pesterig twee maal kort claxonneerde. Ik kwam weer bij zinnen. Irene ook, want ze duwde mij opeens ruw van zich af en keek schichtig opzij.
“Het is Mo,” zei ze.
Zonder afscheid te nemen huppelde ze naar de stilstaande auto, opende het portier en stapte in. Binnen een paar seconden zoefde de auto de bocht om en verdween in de donkere nacht.

Ik was sneller thuis dan ik gedacht had. Ilse lag gewoon weer op de bank. Beducht voor de glazen wand stapte ik voorzichtig naar voren. Maar er was geen glas, geen wand, helemaal niets. De grappenmaker was opgesodemieterd, geen inbrekers, alles in zijn oorspronkelijke staat teruggekeerd, ik was weer welkom.
“Ilse,” riep ik.
Een slaperig hoofd stak omhoog en keek mij verward aan.
“Waar was je,” vroeg ze bezorgd. “Ik heb de hele nacht op je gewacht. Ik heb zo raar gedroomd, dat je in een ravijn was gestort en niemand jou omhoog kon takelen. Wat is er gebeurd, je ziet er niet uit.”
Ze legde haar vingers op mijn voorhoofd, precies op de plek van wat een grote bult bleek te zijn. Het deed pijn en tegelijk voelde haar aanraking als een heerlijk moment. Ik pakte haar bij de schouders, drukte haar tegen mij aan en besloot haar nooit meer in de steek te laten.
“Waarom huil je?” vroeg ze.
Inderdaad, tranen stroomden over mijn wangen. Van blijdschap, van verwarring. Ik wist niet wat te zeggen. Het was alsof Ilse dat aanvoelde, haar hand verdween onder mijn blouse, al snel mijn ene borst knedend.
“Je bent en blijft mijn allerliefste,” zei ze ten slotte. “Dat je dat weet.”
Ja, terwijl ik me gewillig door haar liet uitkleden, met mijn rok als laatste verdediging tegen een opzwellend gevoel dat even later volledig bezit van mij zou nemen, was ik er meer dan ooit van doordrongen. Wij waren voor elkaar bestemd, ontegenzeggelijk nu en hier, in deze wereld.