Hoofdbanner

Onzeker kijkt ze naar binnen, ons meisje op straat. Ons lieve meisje om wie wij ons zorgen maken. Eenzaamheid druppelt als een zachte regen van haar blauwe jas tot op de grond. Het trottoir, de muren, alles om haar heen slaat grijs en triestig uit, als een doffe schaduw. De serre vol uitbundig glas kijkt niet terug, leidt een eigen leven. Een tiental jongeren heeft het grootste plezier, er worden grappen gemaakt, er is de eensgezindheid van broeders en zusters onder elkaar, het vrolijke leven van zij die ertoe doen. En, er is drank om te vergeten, de scherpe randen van het leven te verzachten.
Het meisje, we willen haar beter leren kennen, ze lijkt verdwaald, zomaar ergens neer gedropt. Wie is ze, waar komt ze vandaan? We zien haar thuis, een verlaten zwembad zonder water, kaal tot in elke tegel aan de wand. Het toevluchtsoord waar zij zich veilig waant. Ver weg van de woelige baren van het leven waarin ze zou kunnen verdrinken. We zien de dikke trui onder haar jas om de kou van de wereld te weerstaan. Verder, haar half openhangende mond, die zowel verbazing als onmacht uitstraalt. Ze loopt verder langs het raam. De jongen die daarbinnen bij het raam het nieuws leest, zijn benen lui op een stoel, ze herkent hem, hij woont in haar, zij woont in hem. Hij kijkt terug, open en uitnodigend, slaat zijn krant dicht en staat op.
De buitendeur klapt hard dicht. Ze kijken elkaar onwennig aan. Hoe maak je elkaar tot deelgenoot? Door een appel te gooien, besluit de jongen. Behendig vangt zij hem op.
“Sverre,” stelt hij zichzelf voor en steekt uitnodigend zijn hand uit.
Het meisje draait zich abrupt om en rent hard weg.

De achterdeur brengt hen tot in de keuken. Het meisje legt haar jas weg, opent de koelkast, neemt er een pak drinken uit. Sverre staat naast haar met zijn twee resterende appels in een plastic zakje, een beetje besluiteloos. Het meisje neemt een slok uit haar glas, plaatst het pak drinken terug in de koelkast en gaat op het aanrecht zitten. Sverre pakt hetzelfde pak uit de koelkast en schenkt zichzelf wat in. Hij leunt zo losjes mogelijk tegen de koelkast, zijn ene been over het andere geslagen.
“Cheers hè,” zegt hij en brengt zijn glas naar voren.
Het meisje zegt niets terug, kijkt onverstoorbaar voor zich uit. Alsof hij er niet staat, alsof hij er niet toe doet. Er wordt aangebeld. Het meisje loopt de gang in, doet open, niemand te zien. Sverre loopt daarop langs haar heen naar de openstaande voordeur.
“Goedemiddag,” klinkt een stem.
Sverre zet zijn handtekening op een door de vrouw aangereikt formulier, het meisje ondertussen drinkt in de keuken zonder op te kijken haar glas verder leeg. Teruggekomen opent Sverre opnieuw de koelkast, werpt een blik naar binnen.
“Pizza dan?”, vraagt hij.
Hij drukt wat toetsen op zijn mobiel in.
“Hallo eh…,” horen we hem zeggen. Hij draait zich naar haar toe.
“Wat wil jij?”
“Hawaï,” is haar antwoord.  
“Mag ik één pizza Hawaï en een Margaritha alsjeblieft. Ja, oké, tot zo.”
Het meisje pakt een transistorradio van een plank en zet hem aan.
De risico’s die de vluchtelingen nemen zijn enorm…”.
“Doe jij altijd ananas op je pizza?” vraagt Sverre.
En dan gaat het al gauw fout…,” gaat de radiostem verder.
“Ja,” is haar afgemeten antwoord.
De afgelopen dagen…”.
“Ik zag vandaag een facebookpagina,” gaat Sverre verder, ondertussen naast haar op het aanrecht aangeschoven, “en die heet pineapples do not belong on a pizza. Die pagina heeft dus al meer dan tweehonderdduizend likes.”
En dan blijkt dat er bijvoorbeeld woensdag bij Malta meer dan 500 mensen om het leven kwamen. Zaterdag raakten er nog eens 300 mensen vermist. Bij Egypte vielen 15 doden en bij Libië…”
“Ik zag ook een foto van die gast van Pulp Fiction,” gaat Sverre verder, “en die zegt, say what’s on a pizza one more time. Ah, damm, double day, motherfucker.”
Hij gaat recht voor haar staan, steekt zijn rechterhand fanatiek naar voren.
“Dus eigenlijk zegt hij, se wan again, eh se wan again.”
“Ik vind het gewoon lekker, ananas met pizza,” zegt ze geagiteerd.
En in de avond is er een country festival…”
“Ik vind het gewoon grappig,” besluit Sverre en gaat weer naast haar op het aanrecht zitten.
Het wordt de grootste moordpartij uit de recente geschiedenis van Amerika…”
“Waarom?” vraagt ze.
58 mensen overleven dat niet en …”
“Omdat jij een pizza Hawaï bestelt en ik las er wat over dus ik dacht, ik zeg dat gewoon…”
De bel gaat. Sverre doet open om de pizza’s in ontvangst te nemen. Strijkers zwellen aan vanuit een tergende stilte. Haar lege hand blijft in de lucht hangen. Het gaat voorbij, meisje. Alles gaat ooit voorbij. De branding zal tot stilstand komen, het witte strand zal zijn schoongespoeld met alle tekens van het verleden uitgewist.
De pose: ons meisje op het aanrecht, hij met een schalkse blik naast haar, half tegen de kast leunend, de moed niet opgevend. Kaken gaan op en neer. Ze kijkt recht voor zich uit.
“Kom,” zegt hij met een haast nog volle mond, “we gaan naar buiten.”
“Waarom?” vraagt ze.
“Omdat we steeds binnen zijn.”
“Oké,” besluit ze, werpt het restant van haar pizza in de doos en loopt achter hem aan de deur uit.

Twee koplampen zoeken een weg in de donkere straten. Lantaarnpalen en een eenzame auto verlichten af en toe het pad. Er klinkt gelach, de ene koplamp haalt de andere in. Het is een spel dat gespeeld mag worden. Tot Sverre ineens ver achter haar ligt. Ze kijkt om zich heen, tussen rijen geparkeerde auto’s en op de stoep staande vuilnisbakken in. Eenrichtingsverkeer, een smalle doorgang, te smal om plezier te hebben. Vanuit stille steegjes worden klauwen zwaarte uitgeslagen, ze voelt een al te bekende angst in zich opkomen. Tot Sverre zich weer bij haar voegt, lachend. Er is de plotselinge harmonie, het leven dat zingt in hogere sferen, en ook lager en aardser, tot in de aderen van jeugdige lichamen waar het bloed dansend doorheen kan stromen. Maar geluk duurt nooit lang. Niet voor haar, ons meisje met de droeve blik. Een keiharde klap, een dreun. Uitgeteld, als in een bokswedstrijd, ligt ze languit op de natte klinkers. Gezichten van familie en andere bekenden drommen om haar heen, toeschouwers die haar toeroepen: sta op, vecht, kom boven. Ze verstaat ze niet, het zijn te veel stemmen, ze zijn te dichtbij, hun hoofden zijn te groot, waar bemoeien ze zich mee? Alsof ze haar zouden kunnen helpen, zij die haar niet begrijpen, gewend om in een andere wereld te leven.
Een stille verlaten straat in het donker. Geen Sverre meer, geen gezichten van mensen die zich om haar bekommeren. Ze is alleen, terug bij af. De kilte van de stenen voelt als het lege zwembad waarin ze haar thuis heeft. Ze richt zich op met een verwilderde blik in de ogen.  
“Sverre,” roept ze.
Geen antwoord. Vertwijfeld kijkt ze om zich heen. Het is een droom, beseft ze als ze van een pruttelend geluid wakker wordt. Ze blijkt op de bank te liggen, een deken over haar heen geslagen. Ze rekt zich uit, kijkt het vertrek rond, ziet het ochtendlicht door de ramen naar binnen vallen, vol overgave lijkt het, op de piano, op de open deur waar Sverre ineens verschijnt. In zijn hand een kopje koffie, zijn mond kauwend op een stukje appel.
“Goedemorgen,” zegt hij opgeruimd.
Hij reikt haar de kop zwarte koffie aan, gaat naast haar zitten. Ze drinkt de koffie op zonder iets te zeggen, kijkt verdwaasd voor zich uit.
“Je hebt zo een date,” gaat Sverre verder en kijkt haar lachend aan.
“Ik?”
“Ja,” zegt Sverre. Met zijn appel in de hand observeert hij haar en zegt dan vrolijk:
“Met mij.”
“Dat wil ik helemaal niet,” is haar resolute antwoord.
Ze kijkt hem verstoord aan. Het lijkt Sverre niet van de wijs te brengen.
“Oh nee?”
“Ik date niet.”
“Je datete niet,” corrigeert Sverre haar.
Hij neemt opnieuw een hap uit zijn appel. Ze is verbouwereerd, weet niet wat te zeggen, neemt nog een slok van haar koffie.
Laatste pose: Sverre die haar verder van zijn appel etend geamuseerd bekijkt, ons meisje dat wezenloos voor zich uit staart, een leegte in waarin ze waarschijnlijk niets anders ziet dan haar eigen alleen-zijn.

Samen stappen ze de cafetaria binnen. Ze heeft zich overgegeven, aangepast aan wat sociaal wenselijk is. Met Sverre meegaan, aan een tafeltje zitten, praten over koetjes en kalfjes, alsof er niets aan de hand is. Terwijl het op de achtergrond galmt en dreunt van verlatenheid, hoort ze de vrolijke verhalen van Sverre aan, ziet zijn uitnodigende gebaren. Er verschijnt een glimlach op haar gezicht, voor het eerst sinds lange tijden. Ze voelt zich onderdeel van het gesprek, van hun samenzijn. Voor even, want andere mensen bevolken ineens de ruimte, ze nemen ruis mee, een grote hoeveelheid ruis, er wordt hardop gepraat en gelachen, ze vertrouwt het niet, ziet Sverre van zich afdrijven, opgeslokt door alle rumoer om haar heen. Ze verkrampt, verstart onder de indrukken die als een vijandig leger op haar afstormen. Het geluid neemt toe, tromgeroffel, klaroenstoten, van de weeromstuit stopt ze haar vingers in haar oren. Ze moet weg hier, ze wordt gek. En Sverre kletst maar door, alsof hij niet doorheeft hoe naalden in haar huid worden gestoken, hoe speren zich dwars door haar heen boren. Het is te veel, er zijn te weinig schellen, ze valt terug, om zichzelf te beschermen. Terug in verlatenheid, het zwembad zonder muren, kaal en zielloos als zijzelf. En, zonder gevoelens van verwarring.
Ineens wordt ze vastgepakt bij haar wangen, hard en gewelddadig. Ze schrikt en kijkt recht in de ogen van Sverre. Hij duwt haar van zich af, te midden van alle herrie om haar heen. Boos, lijkt het. Terug haar eigen wereld in, die van het zwembad zonder water, met alleen maar kale muren. Daar waar ze thuishoort, waar ze niemand kent. Waar niemand haar lastig kan vallen. Er is het afnemende geluid, geen bedreigingen meer, de verlangde rust.
Ze staat rechtop, witte sokken steken boven haar schoenen uit tot aan haar broekspijpen. Haar blik gaat rond, op zoek naar een aanknopingspunt.
“Sverre.”
Haar stem galmt luid en wanhopig door de immense ruimte. Ontredderd staat ze daar, aan zichzelf overgeleverd, compleet alleen. Niemand die haar hoort, niemand die haar ziet.
De camera zoomt uit, strijkers zwellen aan vanuit tergende stilte. De lucht weigert mee te trillen, als weerstand tegen elk gevoel dat terrein wil veroveren. Gevoelens zijn golven, ze verwarren, ze glippen weg waar je ze vast wilt pakken. Bedreigend voor wie geen thuis heeft, elke nacht op kale vloeren slaapt.



Verantwoording: geënt op de korte film van Bogi Bakker en Jip Roemaat, getiteld Ensammen. Van Jip mocht ik proberen hier een verhaal van te maken. Waarvoor dank. Zie verder: https://jiproemaat.com/