Hoofdbanner

Hij had het al opgegeven, stapte de eerste van de drie treden naar beneden richting de straat af, toen hij bij het raampje boven de deur alsnog een licht zag aangaan. De twee leeuwenkoppen in het glas in lood aldaar leken tot leven te komen en keken hem aan alsof ze elk moment toe wilden happen. De tong uit de bek, de blik agressief en verwilderd van honger en wellust.
Gestommel, een geluid van sleutels, binnensmonds gemopper en een gepiep van scharnieren alsof hier jarenlang niet open was gedaan. Een voorhoofd met twee loerende kraaloogjes, meer liet de angstvallig op een kier gehouden deur niet toe.
“We zijn gesloten,” klonk het krassend.
Hij twijfelde, zijn blik gleed nogmaals naar het bord boven de koperen trekbel, als om zichzelf ervan te overtuigen dat hij aan het goede adres was. Dr. Hohenzern, geneesheer geestelijke ziekten. Hij keek op zijn horloge, 10.28 uur.
“Maar ik heb een afspraak voor vanochtend,” zei hij.
De deur ging ietsje verder open. Het oude vrouwtje, hij schatte haar op minimaal 75 jaar, had een grauw en verweerd gezicht. De rimpels in haar wangen leken er met grote kracht in geploegd te zijn, zo diep waren ze. Verder was ze sjofel gekleed, in lompen haast, met piekerig grijs haar dat slordig met een paar kammen was opgestoken. Een spinnenweb, was zijn eerste gedachte. Zou ze zichzelf wel eens wassen, dacht hij verder, een flinke schrobbeurt zou haar goed doen, het hoofd een paar minuten onder water, ze zou ervan opknappen.
“Er is niemand, u kunt vanmiddag terugkomen, om één uur gaan we open,” zei ze afgemeten. Het klonk als een standaard antwoord, onverschillig en zonder overtuiging.
“Alstublieft,” probeerde hij, “kunt u mij nu ontvangen, ik ben van ver gekomen en kan niet zomaar terug naar huis.”
Een lichte twijfeling in haar ogen gaf hem hoop. Ze leek ineens meer kleur te krijgen, zwaaide met haar arm, keek met een zucht naar boven, alsof ze de twee leeuwen wilde aanroepen, maar trok haar gezicht dan in een plotselinge grimas.
“Nou wegwezen of ik haal iemand om u te laten verwijderen.”
Zonder dat hij tijd had om te antwoorden werd de deur dichtgeslagen. Sloffende voetstappen op de trap naar boven. Zijn aandacht werd afgeleid. Achter zich probeerde een drietal toeristen hun huurfiets door een rij stilstaande auto’s te manoeuvreren, verderop stond een vrachtwagen iets uit te laden waardoor het hele verkeer vaststond, een paar auto’s toeterden ongeduldig, alsof dat zou helpen, een vrouw riep iets vanuit een openstaand raam, het klonk niet vrolijk en hij, ja hij moest twee en een half uur wachten, 150 minuten ofwel 9000 seconden, rekende hij uit.
Op goed geluk sloeg hij wat straten in. Ze leken allemaal op elkaar met dezelfde eettenten en uithangborden, tot hij na driemaal langs een keurslager te zijn gelopen met de allergrootste ballen van de stad, zoals er met grote letters in de etalage te lezen viel, de ingang van een park ontdekte. Het was er opvallend rustig. Hij haalde diep adem. Wat een verschil met die vieze stinkende straten vol geluidsoverlast, bedacht hij. Mensen zijn te druk met hard werken, geld verdienen, belangrijk zijn, status verwerven. Hebben geen tijd om even tot zichzelf te komen. De rust hier was als in zijn eigen dorp, daar gebeurde echt nooit iets. Nou ja, vorig jaar had een uit de bocht gevlogen auto de woonkamer van een bejaard echtpaar doorboord, met aanzienlijke materiële schade maar gelukkig geen lichamelijk letsel.
Op een bankje staarde hij naar de eenden in een verder rimpelloze vijver. Ze zwommen achter elkaar aan als door een onzichtbaar lint met elkaar verbonden. Hij dacht aan de baron van Münchhausen die beweerde met één stukje spekvet zo een hele reeks eenden aan elkaar te hebben geregen. Door het spekvet aan een touwtje te vestigen slikte de eerste eend het in, poepte het direct weer uit, waarop de volgende eend het doorslikte, met touwtje en al ook weer uitpoepte, enzovoorts. Het kon natuurlijk niet, maar er was wel meer niet mogelijk, zoals Liesbeth die zich er niet bij wilde neerleggen dat hij overdag een beetje op de bank lag te hangen, de afstandsbediening in de hand zodat hij van de ene zender naar de andere kon zappen. Trots was hij niet op zijn gedrag, maar het kwam door de spoken in zijn hoofd, zijn jeugd, een onverwerkt trauma, iets vaags als karma, zeg het maar, of iets fysieks in zijn hersenen, dat daar een paar draadjes verkeerd met elkaar verbonden waren. Hypersensitief, was de constatering van de huisarts van zijn moeder lang geleden. Dertien jaar was hij, kon je nagaan hoe hij er toen al aan toe was. En Liesbeth maar niets begrijpen.

De zon brak door de berkenbladeren heen en wierp bewegende lichtvlekken op het water. Zijn gedachten klopten nu minder hard tegen zijn schedel, de pijn leek te zakken. Nog een half uur, dan kon hij de volgende lading medicijnen innemen. Te veel tegelijk was niet goed, wist hij, de aanvallen zouden verhevigd terugkeren.
Een statige jonge vrouw met lange krullen kwam naast hem zitten. Hij schoof zijn tas opzij, ook al was er genoeg ruimte. Ze glimlachte, wuifde hem met een vriendelijk gebaar toe dat het niet had gehoeven. Ze wilde er waarschijnlijk even uit, een ochtendpauze nemen om bij te komen van iets als secretaressewerk, schatte hij in, met een baas die nors en onverschillig de ene map na de andere op haar bureau legde om vandaag nog af te krijgen. Hij wilde een gesprek beginnen, maar wist geen enkele zin te bedenken. Ten slotte schraapte hij zijn keel, maar ze stond al op en liep weg, zonder verder te groeten. Het voelde als een nederlaag, alsof hij een in de schoot geworpen kans had laten liggen.  
Er stoven mannen voorbij, vijf achter elkaar, de een nog bonter uitgedost dan de ander. Ware snelheidsduivels, de voorsten met een koptelefoon op, iets roepend in een onzichtbaar microfoontje. De achtersten harder hijgend, met duidelijke moeite om het tempo te volgen. Tientallen seconden later kwam er nog eentje langs, sjokkend met de tong uit de mond. Ofwel afgehaakt, ofwel gewoon in zijn eentje voortstrompelend, wie zou het zeggen. In gedachten zag hij zichzelf zo rennen, triomfantelijk voorop, de anderen aanmoedigend vol te houden. Hij als aanvoerder van een bende losgeslagen jonge honden, het was een aantrekkelijk idee.  
Om vijf over één belde hij opnieuw aan. Het oude vrouwtje was nu heel vriendelijk, alsof ze het gebeuren van de ochtend vergeten was. Eenmaal boven liet ze hem op een stoel plaatsnemen. Het kleine vertrek maakte een smoezelige indruk, de verfkwast was hier al jaren zichtbaar niet meer gehanteerd. Er klonk een zoemer. Hij had verwacht een charismatische persoonlijkheid met een lange baard aan te treffen, in plaats daarvan zat daar achter zijn bureau een klein schriel mannetje. Behalve zijn duidelijk te grote witte jas, de mouwen tot aan de ellebogen opgestroopt, vielen zijn haviksneus en uitpuilende ogen op. Alsof die elk moment uit hun kassen konden rollen. Desondanks maakte hij een vertrouwde indruk, alsof hij hem al jaren kende.
“Ja, zegt u het maar," klonk zijn hoge piepstem.
Hij keek de kamer rond. De boekenkast was rommelig geordend met stapels tijdschriften, dikke pillen uit de wereldliteratuur (veel Russen, viel hem op), tientallen edelstenen. Hij herkende een rosekwarts, een amethyst, een aventurijn en nog zo wat van die zogenaamde geneeskrachtige stenen. Hijzelf moest er niet veel van hebben, maar Liesbeth dweepte ermee. Ook de kroonluchter aan het plafond bevatte geslepen stenen, ze glansden, maar waren waarschijnlijk gewoon van glas.  
Hij kuchte in zijn hand en vertelde, eerst met een wat schroom maar al gauw wat vlotter, over zijn angsten die zodra het donker werd de kop opstaken. Hoe allerlei rituelen zich aan hem opdrongen. Zoals boven aan de trap met zijn rechtervoet een tik met zijn hak op de vloer geven. Of drie keer een kruisteken maken voordat hij naar bed ging. Ondanks dat hij niet gelovig was of zo. Deed hij dat niet, dan zou het noodlot toeslaan, zei een stem in hem. Het sloeg nergens op, dat wist hij ook wel, maar het was sterker dan hijzelf. ’s Nachts had hij nachtmerries. Hij werd achtervolgd, de ene keer door gedrochten met vele hoofden die telkens een andere gedaante aannamen, een andere keer door gemaskerde mannen. Hoe hij het op een rennen zette, bijna werd ingehaald en met het angstzweet op zijn voorhoofd meestal net op tijd wakker werd.  
Dr. Hohenzern luisterde aandachtig, tikte een paar keer met zijn pen tegen zijn voorhoofd en maakte notities in zijn schrift. Nadat hij verteld had over zijn ontslag op zijn werk twee jaar geleden, zijn moeizame relatie met Liesbeth en het verbroken contact met zijn familie, richtte Dr. Hohenzern zich op.
“Ik denk dat ik u begrijp. U bent hier aan het goede adres. Ik ga er vanuit dat ik u kan helpen. Het honorarium is naar eigen waardering. In principe geldt, no cure no pay. Komt u over twee weken maar terug. U kunt een afspraak maken met de secretaresse door wie u zojuist werd binnengelaten.”
Een minuut later stond hij buiten. Dat was wat je zegt een korte consultatie, dacht hij, Liesbeth zal opgelucht zijn. Het was ook haar idee geweest hier naartoe te gaan.
De file was opgelost, de zon perste haar eerste lentestralen uitbundig de wereld in, toverde een gulle lach om de mond bij de voetgangers op straat, en hij, hij voelde zich opeens een stuk lichter. Misschien zou alles goed komen.

Op de kop af twee weken later, Liesbeth had gezeurd om niet al eerder een afspraak te maken, volgens haar was hij een spoedgeval, maar hij had geantwoord dat Dr. Hohenzern een zeer druk bezette man was die absoluut niet gestoord kon worden, om half twee nu, lag hij op de bank als een patiënt zoals dat in oude films nog te zien is. Languit op een sofa, zijn voeten over de rand bungelend. Het voelde ook als een film wat er gebeurde, het had iets onwerkelijks. Zijn jas was door het oude vrouwtje, ook wel secretaresse genoemd, op een stoel gelegd. De rest van zijn kleren mocht hij aan houden. Hij keek regelrecht naar het glinsterende glas van de kroonluchter. Zes peertjes telde hij, eentje was er stuk. Er klonk geluid van metaal op metaal. Dr. Hohenzern kwam met een soort van scheplepel tot vlakbij zijn hoofd. Door de bril die hij had opgedaan, een versterkende plusbril, leken zijn ogen nog meer uit te puilen.
“Wat ik nu doe doet geen pijn,” verzekerde hij. “Eerst haal ik wat scherpe randjes bij u weg. Het probleem bij u is, uw kom van licht ligt verkeerd om.”
“Mijn wat?”
Een benauwd gevoel bekroop hem. Die grote ogen vlak bij zijn hoofd, dat rare metalen ding waarmee Dr. Hohenzern door de lucht zwaaide alsof hij een circusact ging uitvoeren, onwillekeurig grepen zijn handen zich vast aan de bekleding van de sofa, als bij de tandarts, waar hij dat ook altijd deed.
“Uw kom van licht. Datgene in uw hersenen wat licht en vrolijkheid opvangt. Het ligt ondersteboven bij u, waardoor u afgesloten bent van wat bovenaf op u in wil stromen. Daardoor dringen de demonen van onderaf bij u binnen. Wacht, ik zal hem proberen te kantelen.”
Dr. Hohenzern maakte een paar cirkelbewegingen, de ene hand om de andere draaiend. Hoewel hij fysiek niet werd aangeraakt, voelde het alsof er een koevoet onder zijn schedelpan werd gezet. Hij hoorde het in zijn hersenen kraken, er werd iets open gewrikt. Het deed pijn en het deed niet pijn. Alsof zijn lichaam met alle macht tegenwerkte en er tegelijk iets los wilde komen. Iets van binnenuit. Als een kuiken die door de eierschaal heen probeert te breken, op zoek naar het leven, zo voelde het.   
“Het lukt niet,” zuchtte Dr. Hohenzern. “Ergens zit het vast, ik weet alleen niet waar.”
Het was natuurlijk de kuiken. Die durfde niet, bedacht hij, de wereld is te eng en bedreigend. Er is daarbuiten geen moederkloek om onder haar vleugels te schuilen.
Dr. Hohenzern ijsbeerde een paar keer om de sofa heen, riep de zogenaamde secretaresse naar zich toe, overlegde iets met haar, waarbij zij een wantrouwende, haast beschuldigende blik op hem wierp, alsof het zijn schuld was dat het niet lukte. Vervolgens tikte Dr. Hohenzern met een hamertje tegen zijn linkerslaap, hief daarna datzelfde hamertje omhoog, als een soort van monstrans, om hem daarna te laten zakken, tot vlak boven zijn ogen.
“Even tanden op elkaar, dit kan gevoelig zijn.”
Uit voorzorg had hij zijn ogen dicht gedaan, voorbereid om de meest kwellende pijnen te ondergaan. Maar er gebeurde niets, ten minste niets wat hij kon voelen. Wel hoorde hij een suizend geluid aan weerszijden van zijn oren. Het kwam dichterbij, in wervelingen die alle tonen door elkaar leken te husselen, waarbij de hoge frequenties overheersten. Hij had het gevoel los te komen van de sofa. Door de kamer zweefde hij, om zijn as tollend, zag dat Dr. Hohenzern onder hem, de bril half op de neus, het hamertje in de hand, vertwijfeld om zich heen keek, van waar is mijn patiënt gebleven? Hij probeerde zich vast te klampen aan de kroonluchter, maar zijn handen graaiden er dwars door heen, hij vloog door het plafond, door het dak, wegschietend van het huis van Dr. Hohenzern, van de drukte van de stad. Als een veertje voelde hij zich, bevrijd van de wereld, in een hemels lichte toestand.  
Hij opende zijn ogen, benieuwd hoe de hemel er uit zou zien. Een schok, donkerte overal om hem heen. Toch zag hij een tiental glibberige tentakels van een reptielachtig monster in verschillende bochten in zijn richting kronkelen, klaar om zich aan hem te vergrijpen. Verschrikkelijk, dit was het onderaardse, de hel. Hoe was hij hier terecht gekomen? Hij probeerde overeind te komen, maar zijn lichaam zat vast. Hij wilde om hulp roepen, maar zijn mond haperde. Een geweldige paniek brak bij hem uit. Hij lag hier met zijn schedel open, zonder bescherming, ten prooi aan de ondermaanse monsters die bezit van hem wilden nemen, als een roodgestipte boom, bestemd voor de houtkap. Hij wist het, had het steeds geweten, hij hoorde de cirkelzagen naderen. Dat was het suizende geluid, hij was de boom.
Opeens verstomt het geluid. Hij opent opnieuw zijn ogen, de tentakels hebben zich teruggetrokken, Dr. Hohenzern is verdwenen, de kamer onherkenbaar veranderd met muren van zijdezacht geel. Geen boekenkast, geen gezond makende stenen, op de plek van de kroonluchter nu een plafonnière met sterretjes. Hij voelt de lucht trillen, nog nazoemen van het gebeuren daarnet. Hij kijkt opzij, een vrouw van midden dertig, donker haar, de handen op de schoot. Vanachter haar bril neemt ze hem met een koele blik op.
“De operatie is volgens mij gelukt,” zegt ze.
Hij kijkt haar niet-begrijpend aan. Waar bevindt hij zich? Hij herkent dit vertrek niet met de strakke muren en de zachtjes wapperende gordijnen bij het open raam. Hij ruikt de geur van lysol, wat hem geruststelt.
“Zie,” wijst ze op een flesje, “hier hebben we de zenuwcellen die uw dwanggedachten veroorzaakten. We hebben ze kunnen traceren en weten te elimineren, hoewel dat veel moeite kostte. Het kan zijn dat er nog een restant is blijven zitten, maar dat verwacht ik niet. In dat geval zult u nog een keer terug moeten komen voor een nieuwe operatie.”
Ze glimlacht bij haar laatste opmerking. Hij voelt haar hand op zijn arm rusten, als teken dat het goed zal komen. Hij zucht eens diep. Van opluchting, maar ook van verbazing.
“Ik kan me er allemaal niets van herinneren, wat is er gebeurd?”
“Dat is normaal in uw situatie. Waarschijnlijk hebben we bij de operatie ook een stukje verleden weg geschraapt, dat komt vaker voor. De serotine-receptoren in uw prefrontale cortex waren veel te dominant, we hebben ze ingesnoerd en afgevijld. Daarbij zijn er serotonerge neuronen beschadigd geraakt. Maar deze hebben een groot regeneratievermogen. U zult zien, de herinnering komt terug. Is het niet vandaag, dan is het morgen.”  
“Maar hoe zit het met mijn kom van licht?” vraagt hij.
“Uw kom van licht?”
“Ja, of die nu gekanteld is.”
Eerst kijkt ze hem bevreemd aan. Dan breekt er een grijns door, die snel overgaat in een beheerste lach.
“Ach meneer, ik denk dat u een aantal dingen door elkaar haalt. Hebt u misschien contact gehad met de zich geestelijk geneesheer noemende Dr. Hohenzern? Ik vermoed van wel, gezien de toestand waarin u hier werd binnengebracht. U moet dat soort kwakzalvers niet geloven. Ze richten meer schade aan dan u zich kunt indenken.”
Ze staat op en loopt naar het raam met de witte vitrages. Ze duwt het opzij en werpt een blik naar buiten.
‘Wees blij dat u hersteld bent. Het had erger kunnen aflopen.”
Hij knikt met zijn hoofd. Inderdaad, deze vrouw, die hem aan zijn overleden moeder doet denken, dezelfde blik, dezelfde afstandelijke stem, heeft hem gered.
“U mag trouwens naar huis. Uw vrouw wacht op u, ze berichtte mij net.”
Liesbeth, wat stom. Natuurlijk, ze had hem vanochtend uitgezwaaid en verwachtte hem vanavond weer thuis. Totaal vergeten. Hij was met zijn dominante prefrontale cortex alleen maar met zichzelf bezig geweest. Een bos bloemen zou het goed moeten maken. Gerbera’s, daar hield ze van. Hopelijk was ze niet al te boos op hem.
Even later stond hij buiten de poorten van het medisch centrum, zoals dat in koeienletters op het dak gespeld stond. Hij keek naar het raam van de kamer waar hij dacht zojuist vandaan te zijn gekomen. Achter de gordijnen meende hij twee mensen te zien bewegen, alsof hij in de gaten werd gehouden.
Bij de parkeerplaats brak het zonlicht plotseling scherp tussen de bomen door, hij hoorde de bladeren ruisen. Van kinderlijk plezier, leek het. Het klonk hem als muziek in de oren. Met een monter gemoed stapte hij zijn auto in. Op het moment dat hij die wilde starten voelde hij een hand op zijn arm.
“Dr. Hohenzern?” vroeg hij verbaasd toen hij opzij keek. 

  • 0 # Theo 12-jan-2022 @23:22
    Weer een mooi surrealistisch verhaal, met een zeer verrassende dubbele ontknoping annex verknoping: eerst de twist van Dr. Hohenzern naar de dokter van het reële(?) 'medisch ziekenhuis' - die zijn 'dwanggedachten veroorzakende zenuwcellen' in een flesje heeft weten te stoppen...(?!) - en ten slotte toch weer terug naar Dr. Hohenzern. Om gek van te worden/zijn... Schitterend.
    Een goed gekozen naam trouwens, Dr.Hohenzern - doet denken aan het Pruisische Hohenzollern-geslacht.
    Een klein puntje van kritiek: het zijpaadje naar het verkeersongeluk in 's mans dorp zou ik eruit halen, het vrij gedetailleerde relaas neemt, naar mijn idee, onevenredig veel ruimte in en leidt alleen maar af.
    Het tussendoor-geintje van 'de keurslager met de allergrootste ballen van de stad' heeft dat effect niet. Da's meer een kortstondig grinnikmomentje dat de vaart van het verhaal er niet uithaalt.
    Meer van dit soort verhalen in 2022, Fred!
    Antwoorden | Antwoorden met citaat | Citeer
    0 # Fred 13-jan-2022 @18:41
    Ha Theo,
    Het is inderdaad surrealistisch, misschien is dat mijn handelsmerk. Ik ben blij met je commentaar, waarschijnlijk ben ik op de goede weg. Het is een herschrijving van een verhaal dat ik hier eerder heb gepubliceerd. Ik heb wat meer 'levende' beelden tussen de gebeurtenissen geplaatst. Iets als aandacht schenken aan de gluonen tussen de quarks in een proton of neutron. Je weet wel, die lijmdeeltjes uit het standaardmodel. Ik zal nadenken over dat zijpaadje dat misschien te veel ruimte inneemt. En ja, er komen nog meer van dit soort verhalen aan!
    Groeten, Fred
    Antwoorden | Antwoorden met citaat | Citeer