Hoofdbanner

Het is een gure dag, begin mei. Harde rukwinden, vlagen regen, niet warmer dan een graad of tien. Het lijkt wel herfst. Hup, mijn regenjas aan, een dikke trui eronder en mijn oude bergschoenen uit de kast opgediept. Een paraplu heeft geen zin, binnen de kortste keren zal ie dubbelklappen. Nog een paar uur tot de zon ondergaat, een flinke wandeling moet kunnen.
Auto’s snellen over de autoweg om op tijd thuis te zijn voor de dodenherdenking. Twee minuten stilte, hoeveel mensen zullen zich daar aan houden? Ik niet, niet zozeer dat ik geen eerbied voor de gevallen slachtoffers heb, maar die hele Tweede Wereldoorlog is te ver weg. Behalve de opgeblazen verhalen van mijn opa die beweert dat bijna iedereen uit zijn dorp in het verzet heeft gezeten, hijzelf voorop, heb ik er geen herinneringen aan. Het had net zo goed de Krimoorlog uit 1856 kunnen zijn die herdacht wordt, of de Hongaarse opstand precies honderd jaar later, het is mij om het even. Er zijn ergere dingen in het leven.
Na het viaduct sla ik een kronkelig zandpad in, de Veluwe op. Ik loop hier wel eens met Johan, een oud-collega die net als ik van langeafstandswandelen houdt. Tijdens het in beweging zetten van de wielen van ons lichaam, zoals Einstein onze benen noemde, beleef ik hoe creatief gedachten kunnen zijn. Ze borrelen op vanuit een onbekend stuk in mijn brein, brengen inzichten die ik tot dan toe niet kende. Grote filosofen zwoeren bij dit soort wandelen. Niet dat ik mij met dit soort denkers wil vereenzelvigen, absoluut niet. Maar op kleinere schaal kom ik toch aardig in een bepaalde richting, vind ikzelf. Alleen is het daarnaast bij mij vooral ook om vergetelheid te zoeken. Het gemis van mijn vrouw en kind weegt nog altijd zwaar.
De ene keer zet Johan een route uit, de andere keer ik. Maar dit stuk van het bos is voor mij onbekend terrein. Veel bij elkaar gegroepeerde berkenbomen, geaccidenteerde paden, kale zandvlaktes met plukjes hei. Door het koude voorjaar is er nog weinig blad. De natuur laat lang op zich wachten dit jaar. Bij een grote eik blijf ik staan. Ik overzie het grauwe landschap, geen levend wezen te bekennen. Vogels en dieren houden zich stil. Ik kijk op mijn horloge, bijna half acht. Nog even en het land ligt plat, iedereen voor de buis om de kranslegging op de Dam te volgen. Dat iedereen dan stil en serieus is, één keer per jaar.
Boven mij giert de wind door de heen weer zwiepende takken van de boom. Ik luister en meen een patroon te ontdekken. Hier gier, hier gier, is het. Alsof ik word toegeroepen. Oei woei, oei woei, klinkt het hierna. Alsof ik moet oppassen. Dikkere takken voegen al krakend nieuwe kreten aan het natuurgeweld toe. De eik heeft het hoorbaar zwaar te verduren. Het doet mij denken aan de ratelpopulieren vroeger thuis. Hun ruisen, hun fluisteren in de wind. De bladeren leken naar mij te zwaaien, wilden iets zeggen, zo voelde het. Als boodschappen die ik niet kon verstaan, maar wel probeerde te ontcijferen. Ik betrapte mijzelf er op dat ik af en toe tegen de bomen terugpraatte. Alsof er een stem in hen huisde waar ik contact mee had. Mijn zus zag het een keer en meende dat ik professionele hulp moest zoeken. Wie praat er nu tegen bomen, zei ze. Dat doe je alleen als je niet goed bij je hoofd bent.
Ze had misschien gelijk, mijn zus. Maar ik bleef de bomen opzoeken, in parken maar meer nog in bossen. Daar zijn ze puurder, minder aangetast door de van de natuur vervreemde mens. Er ging een wereld voor mij open. Ik ontmoette er een dieper soort herkenning, een begrip en warmte die ik bij mensen nooit ervoer. Soms, wanneer ik wist dat niemand keek, legde ik mijn armen om ze heen alsof we geliefden waren.
Bij de eik nu meen ik een laag brommend geluid te horen, tegen de onderste gehoorgrens aan. Ik twijfel of het echt is of dat ik het me verbeeld. Ik houd mijn adem in. Ja, vanuit het binnenste van de boom, een laag resonerende frequentie. Ik spreid mijn vingers tegen de bast. Ik voel ze meetrillen op het stromen van de levenssappen daar binnenin. De trillingen gaan via mijn huid dieper mijn lijf in, prettige klanken die elkaar ritmisch afwisselen. Ik leg mijn hoofd tegen de stam. Een golf van bevestiging slaat door mijn lichaam, een diep gevoel dat het goed is wat ik doe. Ikzelf tril helemaal mee, een oergeluid, vanuit de wortels van de boom. Gier-hier, meisje-schier. En: oei-woei, moeder-foei. Ik kan mij niet inhouden en roep: “Wat is het, wat wil je mij zeggen?”
Maar de boom houdt zich stil, alsof er genoeg gezegd is. Het contact lijkt opeens verbroken. Ik kijk om mij heen, de takken zwiepen minder heftig, de regen is opgehouden. Een plukje blauw verschijnt tussen de woest jagende wolken, een stukje licht in de verder zo grauwe avond. Er is een signaal gegeven, een boodschap uitgesproken, besef ik. Er is iets gebeurd hier, met een meisje. Iets ergs. Zoveel wil mij duidelijk gemaakt worden. Ik moet iets doen, in actie komen, de ouders verwittigen, de politie inschakelen.
Waar ze vandaan komt weet ik niet. Ineens staat ze voor me, de capuchon tot ver over haar gezicht getrokken. Ze draagt een lange donkere jas, met daaronder groene rubberen laarzen. In haar hand een grote schop die ze achteloos in de grond plant. Ik meen haar te kennen, maar kan haar niet thuisbrengen. Die hoge jukbeenderen, die gebogen gestalte. Ze slaat haar ogen op en kijkt me aan alsof ze mij hier verwacht heeft.
“Wilt u mij helpen met graven?” vraagt ze.
Kennelijk kijk ik haar niet-begrijpend aan, want ze vervolgt:
“Ziet u, ik kan dit niet in mijn eentje.”
Ze opent haar handpalmen. Ik schrik van al het rood dat ik zie. Nu pas realiseer ik me dat het handvat van de schop ook vol bloed zit.
“Natuurlijk, ik zal je helpen,” antwoord ik snel. “Waar zullen we beginnen?”
Ik sta verbaasd van mijn eigen doortastendheid. Alsof het zo vanzelfsprekend is dat ik een wildvreemde vrouw help bij het opgraven van… Ja, van wat eigenlijk? Daar heb ik nog niet bij stilgestaan.
Ik neem de schop over, pak hem halverwege de steel zodat mijn handen niet met bloed besmeurd worden en knik naar de vrouw. Ze wijst met haar vinger naar een stukje kale grond, zo’n drie meter verderop. Ondanks het moeizame spitten met al die wortels onder de grond, heb ik al gauw een flink gat gespit. In al die tijd wordt er niets gezegd. Ik stop even om bij te komen van de inspanningen en wacht op nieuwe instructies van de vrouw. Ze reageert niet, haar blik blijft wezenloos naar de grond gericht. Alsof ze er met haar gedachten niet bij is. Opeens richt ze zich op.
“Zo is het genoeg,” zegt ze.
Maar ik heb nog niks gevonden, wil ik tegenwerpen. Iets in mij zegt dat het geen zin heeft haar tegen te spreken. Ze is misschien helemaal niet op zoek naar iets. Ze is gewoon gek, waarschijnlijk een psychiatrische patiënt, die lopen wel vaker los.
Ze draait zich om en loopt weg zonder mij te groeten, zonder schop ook. Ik sta er niet eens versteld van. Dit soort onberekenbaar gedrag kun je, weet ik uit ervaring, van gestoorde mensen verwachten. Ik zucht en kijk op mijn horloge, bijna acht uur. Het wordt hoog tijd. Ik haal een stapel foto’s uit mijn binnenzak. Mijn handen trillen. Eén voor één neem ik ze door, een laatste maal. 
Ik loop op de grote eik toe, sla voor zover dat mogelijk is mijn armen om hem heen. Tranen wellen op. Het voelt alsof de boom mij troost in een waas van medeleven. Alsof ie mij begrijpt. Dat iets dierbaars verliezen het ergste is wat een mens kan overkomen. Een voor altijd verdwijnen zonder dat het ooit verdwijnt. Het ongelooflijk diepe gat dat het slaat.
Na een paar scheppen is er van de foto’s niets meer te zien. Dat mijn handpalm inmiddels rood kleurt kan mij niets schelen. Gauw naar huis nu, voordat het donker is. De schop laat ik liggen, voor als de vrouw terugkeert. Ik beloof hier voortaan elke dag te komen, om te herdenken. Vragen hoeven niet gesteld te worden. Troost en begrip hebben geen woorden nodig.