Hoofdbanner

Geen flauw idee wat mij bezielde, misschien de gedachte dat ik door af te snijden eerder thuis zou zijn, maar halverwege de Heerenweg sloeg ik ineens rechtsaf een smalle straat in. Bij een kleine arbeiderswoning brandde nog licht, terwijl er uit een openstaand zolderraam een bonkend houseritme klonk. Verder was het stil en donker, vooral erg donker. Ik voelde me niet op mijn gemak. Er hing iets in de lucht, iets onheilspellends, alsof een of ander ongedierte elk moment vanuit een steegje tevoorschijn kon springen. Ik trapte harder door, mijn handen trokken mijn stuur haast in tweeën. Ik voelde een druk op mijn schouders, alsof ik naar achteren werd getrokken. De duisternis sloeg haar klauwen uit, haalde mij in. Het zweet gutste onder mijn oksels tot in mijn mouwen. Gelukkig, net op tijd, links een glimp van licht. Alsof de hemel openbrak. De weg naar huis was eenvoudig nu, gewoon deze winkelstraat tot de rotonde afrijden. Ilse zal wel naar bed zijn, dacht ik, laat ik heel stil doen, dat ik haar niet wakker maak.
Ze lag op de bank, een fleece-deken over zich heen getrokken. De schemerlamp boven de tv belichtte haar als een schone slaapster, wachtend om wakker gekust te worden. Hoe het kwam wist ik niet, maar opeens lag ik languit op de grond. Ik voelde aan mijn voorhoofd, gelukkig geen bloed. Ilse sliep door alsof ze de harde knal niet had gehoord. Ik leunde tegen iets als een glazen wand, het was belachelijk. De kamer was in tweeën gesplitst, ik aan de ene kant en Ilse aan de andere. Zou ze me kunnen horen? Ik tikte tegen het glas. Ze reageerde niet. Ik begon te roepen. Ze draaide zich om, opende haar ogen. Een vermoeide blik op haar horloge, een diepe zucht. Ze ging rechtop zitten en keek plotseling in mijn richting. Ik schrok en begon een beetje stom naar haar te zwaaien. Maar ze zag me niet. Ik begon te springen, zwaaide met mijn armen op en neer, tevergeefs. Ze stond nu op, een hand voor haar mond, gapend. Verveeld sleepte ze haar fleece-deken achter zich aan. Nog eenmaal keek ze achterom, hoop vlamde in mij op, ze ziet mij, ze ziet mij, maar dan verdween ze de trap op naar boven. Ik bleef nog een tijdje liggen, in een huis dat vreemd voor mij was, dat mij weigerde te accepteren. Er zat maar één ding op, teruggaan naar Jasper en opnieuw de weg naar huis afleggen, nu volgens de vertrouwde route.

Op de studentenclub was het anders dan anders geweest. En dat niet eens door Yasin die wat extra joints had meegenomen, of door Koen met zijn kratten bier en twee flessen jonge jenever. Het was Mo die deze avond onovertroffen op dreef was. Zelfs de tweeling luisterde met open mond naar zijn nieuwste verhalen, even bizar als interessant. Het sloeg allemaal nergens op, we lagen af en toe dubbel van het lachen, maar ergens werd ik toch geraakt. Alsof zijn filosofische gedachten zich als wormen in mijn hersenen nestelden en daar oude aarde doorploegden, dat er nieuw land bovenkwam met nieuwe openingen naar het onderaardse. Of was het door het nieuwe meisje Irene? Ik kon mijn ogen niet van haar afhouden. Sluik haar, sproeten en een grappige wipneus, in het zwart gekleed als een gothic girl. Ze lachte op een aandoenlijke manier, met kuiltjes in haar wangen, maar zei verder weinig. Jasper sloofde zich uit door ons hapjes voor te zetten, drank mochten we uit de koelkast halen. Zelf dronk hij water. De volgende ochtend moest hij trainen, drie uur schaatsen onder leiding van zijn autistische coach, zoals hij hem noemde. Tja, als je tegen de nationale selectie aanzit moet je er wat voor over hebben. Het meisje Irene bleek bij Mo te horen. Althans, ze gingen hand in hand de deur uit. Jasper zette nog muziek op die ik absoluut moest horen. Verder kan ik me weinig herinneren. Op een gegeven moment moet ik mijn jas gepakt hebben en zijn opgestapt.

Ik reed de winkelpromenade helemaal terug af. Maar het straatje waar ik eerder die nacht uit was gekomen kon ik niet vinden. Iemand kwam een steegje uitlopen, ik herkende haar meteen.
“Jij hier?” vroeg ik. Ik zag dat ze gehuild had, haar mascara was gedeeltelijk uitgelopen.
“Waar is Mo?”
Een stomme vraag, besefte ik meteen. Ze friemelde in haar jaszak, keek mij zijdelings aan en veegde met een papieren zakdoek haar wang af.
“Ik weet het niet,” zei Irene. “Ik was hem opeens kwijt. Hij vertelde zulke vreemde dingen dat ik er met mijn gedachten niet bij was. Ik dacht dat hij achter me liep, maar ineens was hij foetsie, zomaar in het niets verdwenen. Ik loop hier al een paar uur rond. Ik ken deze stad niet. Ik heb Mo gebeld en appjes gestuurd, maar hij…”
Ik had met haar te doen, de lieve meid. Maar ik kon haar toch niet mee naar huis nemen? Wat zou Ilse ervan denken? Dat ik een nieuwe scharrel had?
“Maar wat doe jij hier?”. Kennelijk had ze haar verdriet gelijk met haar zakdoekje opgeborgen. Ze keek nieuwsgierig naar mij op.
“Dat is een ingewikkeld verhaal,” begon ik. “Ik snap het zelf ook niet. Maar ik heb een idee, laten we teruggaan naar vanavond. Ik heb ergens een verkeerde afslag genomen en jij bent Mo uit het oog verloren. Laten we kijken waar en wanneer het mis is gegaan. Misschien dat we dan wat meer helderheid krijgen.”
We liepen de straat uit, het stuur van mijn fiets in mijn ene hand, mijn andere hand in die van Irene. Het voelde vertrouwd zo midden in de nacht met elkaar te lopen, alsof we al jaren een stel waren. Ze begon te praten, over haar familie, over de opleiding die ze sinds een jaar volgde, het hield niet op. Ik bromde af en toe wat, voor haar een aanmoediging verder te vertellen, over Mo, hoe ze die ontmoet had met zijn rare theorieën. Dat hij beweerde dat het leven elk moment een andere wending kan krijgen, dat je dan terecht komt in een wereld die niet de jouwe is, afgescheiden van wat je bekend is. Ja, ik herinnerde het me, hoe Mo ons vanavond zijn nieuw ontdekte veel-werelden-theorie uitlegde. Volgens hem de verklaring voor alles wat wij niet begrijpen. Het feit dat wij dit op onze beurt niet begrepen was volgens hem juist de bevestiging van zijn theorie.  
Terwijl ik luisterde en af en toe begripvol knikte draaide Irene zich plotseling naar mij toe en kuste mij vol op mijn lippen. Ik kon niet anders dan mijn mond openen en haar zachte tong naar binnen laten glijden. Oh, wat was ik gewillig. Mijn linkerhand vergat als vanzelf zijn taak. We schonken beiden geen aandacht aan het gekletter van metaal op stoeptegels. Wel vijf minuten bleven we zo staan, heftig zoenend. Tot er een auto langskwam en heel pesterig twee maal kort claxonneerde. Ik kwam weer bij zinnen. Irene ook, want ze duwde mij van zich af en keek schichtig opzij.
“Het is Mo,” zei ze. Zonder afscheid te nemen huppelde ze naar de stilstaande auto, opende het portier en stapte in. Binnen een paar seconden zoefde de auto de bocht om en verdween in de donkere nacht.
Ik was sneller thuis dan ik gedacht had. Ilse lag gewoon weer op de bank. Beducht voor de glazen wand stapte ik uiterst voorzichtig naar voren. Maar gelukkig, er was geen glas, geen wand, helemaal niets.
“Ilse,” riep ik.
Ze stak haar slaperige hoofd omhoog en keek mij verward aan.
“Waar was je,” vroeg ze bezorgd. “Ik heb de hele nacht op je gewacht. En wat is er gebeurd, je ziet er niet uit.”
Ik zei niets toen ze haar vingers op mijn voorhoofd legde, pakte haar bij de schouders en drukte haar tegen mij aan alsof ik haar nooit meer los zou laten.