Hoofdbanner

In klopgeesten gelooft hij niet, daar is hij met zijn wetenschappelijke achtergrond te nuchter voor. In tegenstelling tot zijn moeder, die meende met geesten en overleden mensen te kunnen praten. Elke laatste zondagmiddag van de maand, terwijl hij op zijn kamer het voetbal van Langs de lijn volgde, zat hun huiskamer vol kaartenleggers, astrologen en helderzienden, de ene nog zweveriger dan de ander. Alleen maar vrouwen, viel hem op. De eeuwige glimlach om hun mond, die overdreven vrolijkheid, het was hem een gruwel. Het heeft hem alleen nog maar meer gesterkt in het feit dat de wereld rationeel benaderd dient te worden, juist om dit soort valse onechtheid tegen te gaan.
Desondanks, nu hij 27 jaar is en al een tijdje op zichzelf woont, slaat af en toe de twijfel toe, gevoed door de rare dingen die de laatste tijd plaatsvinden. Een maand geleden had hij een plant gekocht, mooi passend in een hoek van de kamer waar weinig licht valt. Bij het tuincentrum waarschuwde men hem dat het een moeilijke variant betrof. Hij wist niet wat hij zich daarbij moest voorstellen, maar toen hij ’s avonds tv zat te kijken gebeurde het, een vreemd geritsel tussen de bladeren. Hij keek op en zag iets onwaarschijnlijks: de plant bewoog! Niet één keer, maar minutenlang met bijna alle bladeren. Alsof er een kracht bezit van de plant bezit had genomen die niet natuurlijk was. Dit was een teken, voorvoelde hij.
Het was de volgende dag dat hij onverwachts een knal vanuit de keuken hoorde. Er bleek een prentje van een ijsvogel, door zijn moeder geschilderd voor zijn 12e verjaardag, van de muur te zijn gevallen. Het ophangtouwtje was gebroken. Hoewel het prentje nog intact was, had hij er een slecht gevoel bij, reden om het direct in de afvalbak te kieperen. Weg ermee, dit soort gespook.
Ja, zijn moeder, hij moet steeds vaker aan haar denken. Vorig jaar overgegaan naar gene zijde, zoals ze dat zelf noemde, voelt hij iedere dag haar aanwezigheid. Alsof ze over zijn schouders meekijkt bij alles wat hij doet. Nooit kon hij in haar ogen iets goeds doen. Altijd die kritiek. Hij zou zijn gevoel meer moeten laten stromen, zichzelf overgeven aan de geestelijke wereld, dat soort dingen. En niet als een autist opgesloten zitten in zijn hoofd. Meer aan anderen denken, je leeft niet alleen voor jezelf. Openstaan voor het licht in de wereld, anders zal de ledigheid toeslaan, met alle ellende van dien. Want, aldus een van haar mantra, ledigheid is des duivels oorkussen.
Tja, het stapelt zich op. Sinds een week durft hij ’s avonds nauwelijks naar bed te gaan. Zodra hij onder de dekens is gekropen klinkt het. Een geluid alsof er kleren opzij worden geschoven, een traag gekras overgaand in een gekraak, als van houten planken die te krap in elkaar zijn getimmerd en zichzelf proberen recht te trekken. Waarna het weer minutenlang stil is. Als hij bijna in slaap is gedommeld, keert het terug, luider en scherper. Een paar keer is hij zijn bed uitgekropen. Niets te zien. Misschien een muis, bedenkt hij. Hij besluit alle deuren en ramen extra goed dicht te doen. Gewoon voor zijn gemoedstoestand, hij ziet ook wel in dat het voor een muis niet veel uitmaakt. Als die ergens een gaatje vindt, komt ie er toch wel doorheen. Het geluid houdt aan. Van arren moede besluit hij de nacht op de bank beneden door te brengen, zo ver mogelijk van de bewegende plant vandaan, maar dat ligt zo ongemakkelijk dat hij de volgende ochtend gebroken opstaat. Op zijn werk heeft hij moeite aan de slag te gaan. Minutenlang zit hij naar buiten te staren, naar de maartse wolken die gejaagd door de wind aan het raam voorbij trekken. Gaat het wel goed met je, vraagt Pim, zijn kantoormaat met wie hij al jaren samenwerkt. Jawel, stelt weinig voor, antwoordt hij, beetje slecht geslapen vannacht.
De volgende weken zijn de geluiden verdwenen, alsof de eerste lentedagen in huis schoon schip hebben gemaakt. Op een zondagavond staat de maan volrond aan de oostelijke hemel. Slierten wit licht vallen langs het gordijn naar binnen, begeleid door een zwoel briesje dat hem door het open raam aangenaam in het gezicht treft. Bij het klaarleggen van zijn kleren voor de volgende ochtend, keurig zoals hij dat van zijn moeder heeft geleerd, deinst hij achteruit. Hij meende iets te zien, een glimp van een schaduw die snel weer van zijn netvlies verdwijnt. Ergens onderin de kast. Hij floept het grote licht aan. Niets. Is hij bezig gek te worden? Kan hij zijn eigen zintuigen niet meer vertrouwen?
Even later, net als hij in bed wil stappen, hoort hij een klap. Het komt toch onmiskenbaar uit de kast. Er zit daar iets verscholen, zo’n geluid ontstaat niet zomaar. Met een ruk opent hij de deur. Een paar overhemden liggen door elkaar op de bodem, tussen zijn sportschoenen ziet hij iets bewegen. Er komt een klein handje tevoorschijn. Daarna een kaal hoofdje met twee grote bolle ogen. Het ziet er niet uit. Die flaporen en een naar verhouding veel te groot voorhoofd vol rimpels. Wat een gedrocht. Het slaat zijn handjes voor zijn gezicht, kennelijk beschaamd om plotseling betrapt te zijn.
“Toe, alstublieft,” klinkt het piepend, bedoeld om medelijden op te wekken. Het maakt dat hij even niet weet hoe te reageren.
“Mag ik vragen wat jij hier doet en wie jij bent?” vraagt hij tenslotte.
Het scharminkeltje haalt zijn rimpelige vingers een voor een van zijn gezicht weg en kijkt hem wantrouwend aan. Dan recht het zijn rug en steekt de puntige kin naar voren.
“Dat zijn twee vragen tegelijk die u mij stelt. Welke van de twee wilt u dat ik het eerst beantwoord?”
Hij is verbluft over de scherpe toon waarop hij plotseling wordt toegesproken. De vrijpostigheid, op het brutale af, alsof het kereltje al jarenlang vertrouwelijk met hem omgaat.
“Nou, wat je hier doet.”
“Weet u,” zegt de ander, terwijl hij zijn vinger parmantig omhoog steekt, “dat zult u uzelf moeten afvragen. Ik zit hier al zo lang u hier woont. Ik ben onderdeel van dit huis. Ik doe zo mijn dingen, daar heeft u geen weet van.”
“O ja, wat dan?”
“Zodra u slaapt doorzoek ik het huis op gedachten die zijn blijven hangen. Sommige ruim ik op, andere koester ik en geef ik aandacht. Ik maak als het ware uw huis schoon, elke nacht weer, zodat u ’s ochtends weer fris op kunt staan. Ook stuur ik af en toe uw dromen bij. Als u zich weer eens schuldig voelt over wat u overdag hebt laten liggen. U bent een piekeraar die te veel in het verleden blijft hangen. Ik probeer u te bevrijden. Wat niet altijd lukt, want u bent hardnekkig, op het autistische af, is het niet?”
Hij weet niet wat te zeggen. Hoe komt het mannetje aan deze wijsheden? Het klopt, hij kan zichzelf ’s avonds voor de spiegel staand soms letterlijk voor het hoofd slaan wanneer hij zich zijn miskleunen van de dag voor de geest haalt. Vol afgrijzen staat hij daar dan en haalt als een schaduwbokser naar zichzelf uit. Bam bam, en nog eens, pats boem.
“Als jij het zegt,” geeft hij toe. “Oké, je weet dus veel van mij af, maar wie ben je en hoe kom je hier verzeild, waarom houd je je speciaal met mij bezig?”
“Dat zijn drie vragen die u mij stelt. Die kan ik niet allemaal tegelijk beantwoorden. Laat ik beginnen met de eerste, wie ik ben. Ik ben er gewoon, meer kan ik niet zeggen. Ik ben ook niet steeds dezelfde. Niets veranderlijker dan een oud, klein mannetje, haha. Als tweede, hoe ik hier terecht ben gekomen. Dat weet ik niet. Voor mij is er geen verleden. Ik ben het nu, ik heb geen herinnering. Ik ben als de stroom van een rivier, steeds balancerend op de rug van de eindeloos voortschrijdende tijd.”
“Op de rug van de tijd, het klinkt alsof je een dichter bent. Hoe kom je aan al die wijsheden, kaboutertje?”.
“Laat me opmerken dat ik geen kabouter ben,” zegt het mannetje plotseling geïrriteerd. “U kunt me van alles noemen, maar dat niet.”
“Oké dan, hoe moet ik je dan noemen? Hoe heet je eigenlijk?”
“Soms heet ik verwijt, soms schuld, andere keren laag zelfbeeld. Het hangt van de stemming hier in huis af, op wat ik heb te dragen. Op dit moment zou ik mezelf omschrijven als nieuwsgierigheid met een vleugje angst.”
“Dat komt aardig in de buurt van hoe ik me op dit moment voel,” merkt hij op.
“U begint het door te krijgen, ik ben uw stemming, door u besta ik. Maar mag ik u beleefd vragen om nu te gaan slapen, ik heb nog werk te doen. Anders kom ik niet klaar voor de ochtend. Ik neem aan dat u morgen uitgerust naar uw werk wilt.”
“Jaja,” zegt hij snel. Hij wil er nog iets aan toevoegen, maar sluit dan toch de kastdeur. Eenmaal in bed denkt hij lange tijd na. Is dit echt of verbeeldt hij het zich? Zoals hij sinds een paar weken overdag wel vaker dingen door elkaar haalt. Hij moet oppassen, straks wordt hij nog paranoïde en gaat hij als een wappie in aliens en complottheorieën geloven. ’s Nachts droomt hij over zijn moeder, hoe zij hem op een oefenveldje wil leren te vliegen, hoe zij dat zelf voordoet, haar armen als vleugels uitslaand, kijk zo doe je dat, waarbij zij opstijgt alsof dat niet de minste moeite kost, maar dat hij, wat hij ook probeert, niet van de grond komt, hij is te zwaar, zijn lichaam te log, zijn armen niet wijd en breed genoeg, sukkelig staart hij haar na, ziet hoe zij aan de horizon verdwijnt, lachend en vrolijk zwaaiend, met al haar vriendinnen om haar heen, die ook allemaal kunnen vliegen, laten ze hem achter in een niemandsland waar het steeds benauwder wordt, alsof er te weinig lucht is om adem te halen, alsof hij bezig is te stikken. Als een steen voelt hij zich, zwaar en niet in beweging te krijgen. Hij verschrompelt, wordt steeds kleiner tot er niets meer van hem overblijft. Zo voelt het dus om dood te gaan.

Met een beklemmend gevoel wordt hij wakker. Hij probeert de zwaarte van zich af te schudden, maar het doordringt zijn hele lichaam. Alsof hij een en al steen is. Echter, dat verandert als hij de gordijnen openslaat en de zon als een verfrissende ochtenddouche door zijn slaapkamerraam heen breekt. De lente is aangebroken. In één keer spoelt alle vuil van hem af. Nieuwe krachten stromen toe, het scherpe licht maakt hem blij en opgewekt, hij heeft het gevoel de hele wereld aan te kunnen. Dit gevoel neemt hij mee op de fiets naar zijn werk, bij de entree van de gang naar receptie waar Janssen hem een even stijve hoofdknik geeft als altijd, even langs de helpdesk om daar wat nieuwe mensen te begroeten, hij maakt grapjes, iedereen is blij, het leven lacht, is vrolijk, ligt als een uitgerolde loper aan zijn voeten. Ook Pim valt zijn stemming op. 
“Een nieuwe liefde?” vraagt ie met een vette knipoog.
Hij volstaat ermee zijn schouders op te halen en met een glimlach te antwoorden. Deze dag zit alles mee. Het functioneringsgesprek met Karnbach, zijn direct leidinggevende, waar hij zo tegenop had gezien verloopt voorspoedig. Zonder dat hij erom vraagt wordt hem een salarisverhoging in het vooruitzicht gesteld. De meisjes van receptie kijken hem vanonder hun pony's lieftallig aan en giechelen achter hun hand alsof het Brad Pitt is die langskomt. De lastige dossiers op zijn bureau heeft hij diezelfde middag allemaal weggewerkt. En voor hij het weet zit hij in zijn favoriete restaurant zijn favoriete quattro stagioni pizza te eten, met zijn favoriete glas rode wijn, een heerlijke Merlot, ernaast. En het belangrijkste, tegenover hem is Angela aangeschoven, het rondborstige meisje van de helpdesk dat hij vanmiddag eindelijk aan heeft durven spreken. Met eenzelfde pizza en glas wijn voor zich. Ze heeft iets aparts, met die kuiltjes in haar wangen en het lange hennakleurige haar dat af en toe voor haar ogen valt. Waarbij ze schuin lachend naar hem opkijkt alsof ze iets ondeugends in de zin heeft. Hij moet bekennen, ze heeft iets onweerstaanbaars, zo naturel en open tegelijk. Dit gaan ze vaker doen, zo samen eten, spreken ze af als ze buiten afscheid van elkaar nemen. Met een handdruk, verder durft hij niet te gaan.
Thuis loopt hij regelrecht naar zijn slaapkamer. Om zijn dankbaarheid te tonen, dat acht hij nu wel op zijn plaats. Het is de verdienste geweest van het mannetje dat vandaag alles zo gesmeerd verliep, beseft hij. Maar de kast is, behoudens zijn kleren en schoenen, leeg. Geen enkel teken van leven. Hij kijkt nog eens goed, helemaal niets.
“Verwijt?”
Geen antwoord.
“Schuld?”
Stilte.
“Laag zelfbeeld?”
Weer niets. Dan, om hem te provoceren:
“Kaboutertje?”
Ook nu geen reactie. Teleurgesteld gaat hij naar beneden. Hij kijkt wat tv, surft op internet, maar het is allemaal niks bijzonders. Hij wil een appje naar Angela sturen, maar bedenkt zich op het laatste moment. Wie weet verknalt hij alles, het is te pril. Enigszins beneveld van de drie glazen jonge jenever die hij zich heeft ingeschonken stapt hij een paar uur later zijn bed in. Je moet toch wat om de dag te kunnen vergeten, houdt hij zichzelf voor. Hij luistert goed, behalve wat straatgeluiden is er weinig anders te horen dan het tikken van zijn wekker.
Ook de dagen erna valt er niets van het mannetje te bespeuren. Het is raar, hij begint hem te missen als een soort van engelbewaarder, waar zijn moeder trouwens in geloofde. Zoals ze hem toen hij een jaar of zeven was ’s avonds voor het slapen gaan steevast voorlas uit het bidprentje met de veertien engelen aan zijn bed. Twee aan zijn voorzij, twee aan zijn achterzij. Enzovoorts. Hoe lieflijk en vertrouwenwekkend toen.  
Maar goed, zo gaan er twee weken voorbij. Pas dan, wanneer Angela voor het eerst naast hem in bed ligt, klinkt er een zacht getik op de vloer. Hij spitst zijn oren. Oei, hopelijk dringt het niet tot haar door, het zou de romantiek verstoren. Het getik gaat over in een geklop, ritmisch en steeds harder. Hij gaat rechtop zitten en slaat de dekens van zich af.
"Wat ben je aan het doen?" vraag Angela, wanneer hij de kast opentrekt.
"Ach, niet bijzonders," mompelt hij zo ongedwongen mogelijk. “Ik ben vergeten iets op te ruimen.”
"Kun je ogenblikkelijk ophouden?" sist hij, hopend dat Angela het niet kan horen.
"Een binnendringer. Er is een binnendringer in huis," klinkt het vanuit de donkerte.
" Nou en, wat kan jou dat schelen?"
"Zij moet weg, zij moet weg."
"Wil je stoppen en niet zo hard praten."
"Zij moet weg, zij moet weg," hoort hij opnieuw.
Woede en irritaties strijden in zijn gemoed om voorrang, hersenvloeistof klotst van de ene hersenhelft naar de andere. Hij heeft het gevoel flauw te vallen. Hij pakt de kastdeur als steun vast en zucht eens diep. Dat heeft hij wel geleerd van zijn moeder, diep ademhalen wanneer je in moeilijkheden zit. Om zodoende beter te aarden, zoals zij zei. Maar deze keer maakt het hem niet rustiger. Hij trilt op zijn benen, hoort een zuchtende Angela achter zich, ziet zijn moeder ineens pal voor hem staan, met strenge blik en een gefronst voorhoofd, ze glanst als een lichtgevende engel, zo uit de hemel neergedaald, ze prevelt een paar woorden, hij kan haar niet verstaan, dan ineens begint ze te lachen, een holle lach, steeds harder en uitbundiger.
Hij voelt zich weer het kleine jongetje van vroeger, door zijn vader in de steek gelaten toen hij te jong was om dit te beseffen. Hij bewaart slechts vage herinneringen aan hem, hoe hij bij de inkomst van Sinterklaas op diens brede schouders gezeten hoog boven de menigte op straat uitstak en als op de eerste rang alle malle fratsen van de pieten kon zien. Of die keer in het park toen een herdershond hem aanviel en zijn vader het beest met een woest gebaar wegjoeg. Of dat ze op de grond lagen te stoeien, waarbij zijn vader zich opeens gewonnen gaf, alsof hij minder sterk was dan zijn driejarige zoon. Het triomfgevoel dat hij zegevierde, het steekt hem nu hij er weer aan denkt. Wat een contrast met zijn verdere jeugd. En toen was hij weg, zonder afscheid te nemen. Hij heeft nooit geweten waarom. Zijn moeder weigerde op zijn vragen antwoord te geven. Gewoon een stomme zak, was wat ze zei.
Ineens komt hij in actie. Weg met het verleden, weg met verwijt, schuld en laag zelfbeeld. Zijn hand grijpt naar de donkere hoek, pakt daar een grauw en groezelig vodje op en houdt dat omhoog als een rat uit het riool. Even twijfelt hij. Hij ruikt eraan, het stinkt. Dan, twee stappen opzij en daar gaat ie, zo in één keer door het openstaande raam naar buiten. Hij meent een kreet tussen de huizen te horen, een holle echo, gevolgd door een klein plofje, maar dat kan net zo goed inbeelding zijn.
“Zo, dat is geregeld,” zegt hij als hij weer naast Angela onder de dekens kruipt. 
"Gekkie, wat ben je toch allemaal aan het uitspoken?"
Hij zegt niets terug. In het schemerdonker ziet hij haar blanke rondingen. Hij vleit zich tegen haar aan en legt een voorzichtige hand op haar borst. Op het moment dat hij zich over haar heen buigt en zijn mond de hare zoekt meent hij een geluid te horen. Het is als van nagels over een weerbarstig houten vloer. Het knarst, het knaagt, het komt dichterbij.