Hoofdbanner

In klopgeesten gelooft hij niet. Daar is hij te nuchter voor. In weerwil van zijn moeder, die meende met geesten en overleden mensen te kunnen praten. Elke zondagmiddag, wanneer zijn vrienden het voetbal bij ‘Langs de lijn’ volgden, zat hun eigen huiskamer vol met kaartenleggers, astrologen en helderzienden, de ene nog zweveriger dan de ander. Die eeuwige glimlach om hun mond, de overdreven vrolijkheid, het was hem een gruwel. Het voelde als zó onecht. Het heeft hem de tegenovergestelde richting opgedreven. Als universitair wetenschapper, gespecialiseerd in artificial intelligence, is hij ervan overtuigd dat de wereld alleen met het verstand verklaard kan worden.
Desondanks, nu hij 27 jaar is en al een tijdje op zichzelf woont, slaat af en toe de twijfel toe. Steeds vaker doemt zijn moeder, vorig jaar overgegaan naar gene zijde, zoals ze dat zelf zou noemen, voor zijn ogen op. In hoeverre achtervolgt ze hem nog? Dat hij moet leren zijn gevoel te laten stromen, zich over te geven aan de geestelijke wereld, dat soort dingen. Daar vertrouwen in leren te hebben. Anders zou de ledigheid toeslaan. Met alle negativiteit van dien. Want, zei ze meermaals, ledigheid is des duivels oorkussen.
Feit is dat hij sinds een week ’s avonds niet in slaap kan komen. Zodra hij onder de dekens is gekropen klinkt het. Een geritsel, alsof er kleren opzij worden geschoven, een traag gekras overgaand in een ritmisch gekraak, als van houten planken die te krap in elkaar zijn getimmerd. Waarna het weer minuten lang stil is. Als hij bijna in slaap is gedommeld, keert het terug, luider nu. Een paar keer is hij zijn bed uitgekropen. Niets te zien. Misschien een muis, bedenkt hij. Hij besluit zijn klerenkast op slot te doen. Gewoon voor zijn gemoedstoestand, hij ziet ook wel in dat het voor een muis niet veel uitmaakt. Als die ergens een gaatje vindt, komt ie er toch wel doorheen. Het geluid houdt aan. Van arren moede besluit hij de nacht op de bank beneden door te brengen, maar dat ligt zo ongemakkelijk dat hij de volgende ochtend gebroken opstaat. Op zijn werk heeft hij moeite zich op zijn taken te concentreren. Minutenlang zit hij naar buiten te staren, naar de maartse wolken die gejaagd aan het raam voorbij trekken. Gaat het wel goed met je, vraagt Pim, zijn kantoormaat met wie hij al jaren samenwerkt. Jawel, antwoordt hij, stelt weinig voor, beetje slecht geslapen vannacht.
De volgende weken zijn de geluiden verdwenen, alsof de eerste lentedagen bij hem in huis schoon schip hebben gemaakt. Op een zondagavond staat de maan volrond aan de oostelijke hemel. Slierten wit licht vallen langs het gordijn naar binnen, begeleid door een zwoel briesje dat hem aangenaam in het gezicht treft. Bij het klaarleggen van zijn kleren voor de volgende ochtend, keurig zoals hij het van zijn moeder heeft geleerd, meent hij iets te zien. Een glimp van een schim die snel weer van zijn netvlies verdwijnt. Hij floept het grote licht aan. Niets. Dan, helemaal onderin de kast iets bruins. Het beweegt, het leeft. Een piepklein mannetje is het, de handen voor de ogen geslagen alsof het betrapt is en niet gezien wil worden. Een soort van kabouter, maar dan zonder puntmuts. Diens flaporen en naar verhouding veel te grote hoofd vol rimpels doen hem er grappig uitzien. Grappig en tegelijk zielig. Hij buigt zich voorover. Dichterbij komen durft hij niet, daarvoor ziet ie er te grauw en viezig uit.
“Mag ik vragen wat jij hier doet en wie jij bent?”
Hij vraagt het zo beleefd mogelijk om het mannetje niet bang te maken. Deze haalt zijn rimpelige vingers een voor een van zijn gezicht weg en tovert twee grote ogen tevoorschijn die hem als schijnwerpers tegemoet stralen.
“Dat zijn twee vragen tegelijk die u mij stelt. Welke van de twee wilt u dat ik het eerst beantwoord?”
Hij is verbluft over de toon waarop hij wordt toegesproken. De vrijpostigheid, op het brutale af, alsof het mannetje al jarenlang vertrouwelijk met hem omgaat.
“Nou, wat je hier doet.”
“Weet u,” zegt het mannetje, terwijl hij zijn vinger parmantig omhoog steekt, “dat zult u uzelf moeten afvragen. Ik zit hier al zo lang u hier woont. Ik ben onderdeel van dit huis. Ik doe zo mijn dingen, daar heeft u geen weet van.”
“O ja, wat dan?”
“Zodra u slaapt doorzoek ik het huis op gedachten die zijn blijven hangen. Sommige ruim ik op, andere koester ik en geef ik aandacht. Ik maak als het ware uw huis schoon, elke nacht weer, zodat u ’s ochtends weer fris op kunt staan. Ook stuur ik af en toe uw dromen bij. Als u zich weer eens schuldig voelt over wat u overdag hebt laten liggen. U bent een piekeraar die te veel in het verleden blijft hangen. Ik probeer u te bevrijden. Wat niet altijd lukt, want u bent hardnekkig, op het autistische af, is het niet?”
Hij weet niet wat te zeggen. Hoe komt het mannetje aan deze wijsheden? Het klopt, hij kan zichzelf ’s avonds voor de spiegel staand soms letterlijk voor het hoofd slaan wanneer hij zich zijn miskleunen van de dag voor de geest haalt. Alsof zijn moeder nog altijd over zijn schouder meekijkt, zo voelt het. Vol afgrijzen staat hij daar en haalt dan als een schaduwbokser naar zichzelf uit. Bam bam, en nog eens, pats boem.
“Als jij het zegt,” geeft hij toe. “Oké, je weet dus veel van mij af, maar wie ben je en hoe kom je hier verzeild, waarom houd je je speciaal met mij bezig?”
“Dat zijn drie vragen die u mij stelt. Die kan ik niet allemaal tegelijk beantwoorden. Laat ik beginnen met de eerste, wie ik ben. Ik ben er, meer kan ik niet zeggen. Ik ben ook niet steeds dezelfde. Niets veranderlijker dan een oud, klein mannetje, haha. Als tweede, hoe ik hier terecht ben gekomen. Dat weet ik niet. Voor mij is er geen verleden. Ik ben het nu, ik heb geen herinnering. Ik ben als de stroom van een rivier, steeds balancerend op de rug van de eindeloos voortschrijdende tijd.”
“Op de rug van de tijd, het klinkt alsof je een dichter bent. Hoe kom je aan al die wijsheden, kaboutertje?”.
“Laat me opmerken dat ik geen kabouter ben,” zegt het mannetje plotseling geïrriteerd. “U kunt me van alles noemen, maar dat niet.”
“Oké dan, hoe moet ik je dan noemen? Hoe heet je eigenlijk?”
“Soms heet ik verwijt, soms schuld, andere keren laag zelfbeeld. Het hangt van de stemming hier in huis af, op wat ik heb te dragen. Op dit moment zou ik mezelf omschrijven als nieuwsgierigheid met een vleugje angst.”
“Dat komt aardig in de buurt van hoe ik me op dit moment voel,” merkt hij op.
“U slaat de spijker op zijn kop,” zegt het mannetje. “U begint het door te krijgen, ik ben uw stemming, door u besta ik. Maar mag ik u beleefd vragen om nu te gaan slapen, ik heb nog werk te doen. Anders kom ik niet klaar voor de ochtend. Ik neem aan dat u morgen uitgerust naar uw werk wilt.”
“Jaja,” zegt hij snel. Hij wil er nog iets aan toevoegen, maar sluit dan toch de kastdeur. Eenmaal in bed denkt hij lange tijd na. Is dit echt of verbeeldt hij dit zich? Zoals hij overdag wel vaker in zichzelf zit te praten en dingen door elkaar haalt. Hij moet oppassen, straks wordt hij paranoïde en gaat hij in aliens en complottheorieën geloven.
De volgende dag lacht de ochtendzon hem door zijn slaapkamerraam uitbundig tegemoet. Zo fris en opgewekt heeft hij zich in lange tijd niet gevoeld. Alle sombere gedachten en beslommeringen die hem al weken gevangen houden lijken te zijn opgelost. Alsof hij de hele wereld aan kan. Ook Pim valt het op. 
“Een nieuwe liefde?” vraagt hij met een vette knipoog.
Hij volstaat ermee zijn schouders op te halen en met een brede lach te antwoorden. Deze dag zit alles mee. Het functioneringsgesprek met Karnbach, zijn direct leidinggevende, waar hij zo tegenop had gezien verloopt onverwacht voorspoedig. Zonder dat hij erom vraagt wordt hem een salarisverhoging in het vooruitzicht gesteld. De meisjes van receptie kijken hem vanonder hun pony's lieftallig aan en giechelen achter hun hand alsof het Brad Pitt is die langskomt. De lastige dossiers op zijn bureau heeft hij diezelfde middag allemaal weggewerkt. En voor hij het weet zit hij in zijn favoriete restaurant zijn favoriete quattro stagioni pizza te eten, met zijn favoriete glas rode wijn, een heerlijke Merlot, ernaast. En het belangrijkste, tegenover hem is Angela aangeschoven, het rondborstige meisje van de helpdesk dat hij vanmiddag eindelijk aan heeft durven spreken. Met eenzelfde pizza en glas wijn voor zich. Ze heeft iets aparts, met haar kuiltjes in de wangen en het lange hennakleurige haar dat af en toe voor haar ogen valt. Waarbij ze schuin lachend naar hem opkijkt alsof ze iets ondeugends in de zin heeft. Dit gaan ze vaker gaan doen, zo samen eten, spreken ze af als ze buiten afscheid van elkaar nemen.
Thuis loopt hij regelrecht naar zijn slaapkamer. Maar de kast is, behoudens zijn kleren en schoenen, leeg. Hij kijkt nog eens goed, helemaal niets.
“Verwijt?”
Geen antwoord.
“Schuld?”
Stilte.
“Laag zelfbeeld?”
Weer niets. Dan, om hem te provoceren:
“Kaboutertje?”
Ook nu geen reactie. Hij stapt zijn bed in. Geen ander geluid dan het tikken van zijn wekker. Ook de dagen erna valt er niets van het mannetje te bespeuren. Pas twee weken later, als Angela voor het eerst naast hem in bed ligt, klinkt er iets als een zacht getik op de vloer. Hij spitst zijn oren. Oei, hopelijk dringt het geluid niet tot Angela door, het zou de prille romantiek verstoren. Het getik gaat over in een geklop, ritmisch en steeds harder. Hij gaat rechtop zitten en slaat de dekens van zich af.
"Wat ben je aan het doen?" vraag Angela, wanneer hij de kast opentrekt.
"Ach, niet bijzonders," mompelt hij zo ongedwongen mogelijk. “Ik ben vergeten iets op te ruimen.”
"Kun je ogenblikkelijk ophouden?" fluistert hij, hopend dat Angela hem niet kan horen.
"Een binnendringer. Er is een binnendringer in huis," sist het vanuit de donkerte.
" Nou en, wat kan jou dat schelen?"
"Zij moet weg, zij moet weg."
"Wil je ophouden en niet zo hard praten."
"Zij moet weg, zij moet weg," klinkt het opnieuw.
Hij voelt zich raar in zijn hoofd worden. Woede en irritaties strijden er om voorrang, hersenvloeistof klotst van de ene hersenhelft naar de andere. Achter zich hoort hij Angela zuchten. Ineens komt hij in actie. Weg met het verleden, weg met verwijt, schuld en laag zelfbeeld. Zijn hand grijpt naar de donkere hoek, pakt daar een grauw en groezelig vodje op, houdt dat omhoog als een rat uit het riool en werpt dat zo in één keer door het openstaande raam naar buiten.
“Zo, dat is geregeld,” zegt hij als hij weer naast Angela onder de dekens kruipt. 
"Gekkie, wat ben je toch allemaal aan het uitspoken?"
Hij zegt niets terug. In het schemerdonker ziet hij haar blanke rondingen. Hij vleit zich tegen haar aan en legt een voorzichtige hand op haar borst. Op het moment dat hij zich over haar heen buigt en zijn mond de hare zoekt meent hij een geluid te horen, als van scherpe nagels over de vloer.