Hoofdbanner

Een miezerige avond in november. Op weg naar huis, terug van boodschappen. Een immense rij aan de kassa, voor mij een vrouw van middelbare leeftijd snuivend en niezend alsof ze 39 graden koorts had, haar teckeltje vijf meter verderop, vastgebonden aan een stang, luid keffend wanneer ze eindelijk eens klaar was. Buiten op straat een ziekenauto met zwaailicht en loeiende sirene die rakelings langs mij heen scheerde, aan de overkant een zwerver die in elkaar zakte zonder dat iemand daar acht op sloeg, alsof zoiets de gewoonste zaak van de wereld is. Toen al had ik al een voorgevoel dat er iets mis was.
Verkleumd van de kou krijg ik de sleutel niet in de voordeur, struikel eenmaal binnen over mijn eigen benen, de helft van de inhoud van mijn tas stuitert over de gang, een paar appels rollen meters weg, waarbij ik in een poging ze te pakken van de weeromstuit zo hard tegen de deurpost knal dat ik een aantal seconden groggy op de grond blijf liggen. Daarna mijn hemel, de woonkamer, één grote ravage. Planten half in de gordijnen, de aarde op de vensterbank, papieren die overal rondslingeren. Alsof er een windhoos heeft huisgehouden. Maar het ergste, mijn tafel en drie stoelen foetsie, compleet verdwenen. In plaats daarvan één groot gapend gat midden in de kamer. Belachelijk. De vloer is op een of andere manier ingestort, hier en daar steken er nog scherpe stukken hout uit. In wat voor film ben ik beland? Ik zucht, doe mijn jas uit en ga in de enige overgebleven stoel bij het raam zitten. De moed zinkt me in de schoenen. Hoe vertel ik dit aan de woningbouwvereniging? Ze zullen me niet geloven, denken dat ik geëxperimenteerd heb met explosief materiaal dat vroegtijdig is ontploft. Dat ik een terrorist ben. Kan dit ooit gerepareerd worden? Het zal vrachtwagens aan cement vragen om dit gat op te vullen. Tot het zover is zal ik voorzichtig moeten zijn. Voor je het weet stort ik de afgrond in, in mijn bloedeigen huis nota bene.
Het doet me denken aan toen ik een jaar of acht was. Samen met Stef, mijn jonger broertje, hadden we als spel dat we langs de plinten van de hal liepen, onze handen steun laten zoekend aan voorwerpen als de kapstok aan de muur, de trapleuning, zo naar boven naar onze slaapkamer. De vloer of de treden van de trap raken betekende dat je verloren had, dat je dood was. Zo klommen we het hele huis door. We raakten er steeds behendiger in, tot afgrijzen van moeder die vond dat we ons als idioten gedroegen. Een paar keer ging er wat stuk, een schemerlamp in de gang, een fotolijst op de kast in de hal. Een ingecalculeerd bedrijfsrisico, zo zagen wij dat. Moeder niet, die werd boos, dreigde met het inhouden van ons zakgeld, maar we hielden vol. Er stond veel op het spel, leven en dood. Dat was ons heel wat zakcenten waard.
Ik zal mijn eten voortaan in de keuken moeten opeten, staand aan het aanrecht. Mensen op visite krijgen kan niet. Als ze aanbellen zal ik ze op de stoep staande houden. Hoewel ik al tijden niemand aan de deur heb gehad. Ja, eenmaal zo’n zeurpiet van de sociale dienst, voor papieren die ik nog niet had overlegd. Oh, poor and lonesome me.
Toch sta ik op. Nieuwsgierigheid wint het van zelfmedelijden. Ik pak een appel, te beurs om nog opgegeten te worden. Ik tel, na drie seconden is de plof te horen. Niet al te diep, is mijn conclusie. Als ik langs de rand naar beneden kijk, zie ik eerst niets. Het ruikt naar zwavel en bladeren in de herfst. Aftakeling, als in een grafkelder. Ik meen geluiden van kinderen te horen, hol en ver weg. Er beweegt daar iets, ik zie vage gestaltes. Er is een glinstering, als de golfslag van kabbelend water. Daartussen, in het midden, een sloep die voortdrijft. Er wordt driftig met armen gezwaaid, gepaard met een roepen van een stuk of tien mensen, waaronder vrouwen en kinderen. Ik versta ze niet. Een paar mannen houden de boot met hun handen stil aan de rotswand, iedereen kijkt omhoog. Alsof men iets van mij verwacht. Een touw kronkelt zich als een slang door de lucht heen omhoog, tot net over de rand, maar valt even snel weer terug. Er klinkt gevloek, zoiets is wel duidelijk, vloeken is van alle talen.  Als ik het touw bij een volgende worp vastgrijp joelen en juichen de mannen in de boot. Als om mij aan te moedigen, vermoed ik. Ik zet mij schrap, er volgt fysieke inspanning, er parelen zweetdruppels op mijn voorhoofd. Na een paar minuten die wel uren lijken te duren is de vracht boven. Eerst zie ik alleen maar krullen, daaronder verschijnt een verwilderd gezicht. Bruine ogen, hoge jukbeenderen. Ze kijkt me met een bange blik aan, klautert dan tot over de rand en laat zich op de grond vallen, te verzwakt om op te staan. De bemanning in de boot wuift mij toe, een paar mannen nemen hun hoed af en maken een diepe buiging. Enkele seconden later is de boot verdwenen, met de stroom mee op weg naar weet ik waar naartoe.
De vrouw is sterk vermagerd en draagt alleen wat oude kleren vol gaten erin. Ze lijkt in tijden niet gewassen. Als ik haar de trap op draag, valt me op hoe licht ze is. Ze heeft haar ogen gesloten. Ik leg haar in mijn bed, met kleren en al, zet een beker water aan haar mond, waarna ze na een gretige dronk in slaap valt. Op het voeteneind leg ik handdoeken en schone kleren neer. Zelf slaap ik op de stoel in de kamer, niet al te dicht bij het gat in de kamer. Hoewel er van slapen niet veel terecht komt, te veel als er door mijn hoofd spookt.
De volgende dag ga ik direct naar de bouwmarkt . De lange planken passen allemaal maar net in mijn Honda Civic. Thuis zaag ik ze één voor één af. Echt handig ben ik nooit geweest. Heel wat blauwe plekken op mijn duim verder is het karwei eindelijk geklaard. Straks een tapijt erover en niemand die er iets van ziet.
’s Avonds komt de vrouw beneden, het haar nog nat. Ze draagt mijn T-shirt met zonnebloemen erop, een keer gekocht tijdens een vakantie in Zuid-Frankrijk. Daaronder een doek om haar middel geknoopt. Ze ziet er herboren uit, ik herken haar haast niet. Ze blijkt Fatwa te heten en is 26 jaar. Ze heeft het voor me opgeschreven. Ze leert heel snel. Ze is lief. We wonen nu al twee jaar samen. Over zeven maanden verwachten we ons eerste kindje.