Hoofdbanner

Het klinkt weer. Eerst zachtjes, als om Stefanie erop voor te bereiden, daarna zwelt het aan tot stormkracht. Ze wordt er gek van. Waarom overkomt dit haar? Heeft ze iets verkeerds gedaan dat ze zo wordt gestraft? Had ze niet met John moeten gaan en gewoon vrijgezel moeten blijven? John die meer met zijn werk is getrouwd dan met haar. Al die overuren ’s avonds, de weekends waarin hij vergaderingen heeft, zijn buitenlandse reizen. Als ze naar haar moeder had geluisterd, was ze beter af geweest. Alle mannen zijn klootzakken, had die gezegd. Trap er niet in. Ze gaan voor een avontuurtje en zadelen jou de rest van je leven met de gevolgen op.
   Een van die gevolgen ligt nu al een kwartier te huilen in zijn wiegje. Hem er uit halen, een schone luier omdoen, al ijsberend door de kamer op en neer schudden, in de kinderwagen stoppen, wandelen door het park, een stukje met de auto rijden, de stofzuiger aanzetten om het gekrijs niet te hoeven horen, ze probeert van alles. Soms helpt het, meestal niet. Die stofzuiger uiteindelijk is een vondst. Kennelijk sust het eentonige gebrom haar Leroy van zes weken in slaap. Maar ze kan dat ding toch niet de hele dag aanzetten? Dan wordt ze zelf ook stapeldol.
   Is het normaal dat je als moeder een hekel aan je baby krijgt? Vast niet. Ze ziet zichzelf bij de psychiater op de bank liggen – hebben ze die tegenwoordig? – en psychisch ontleed worden. Waar is het mis gegaan in uw jeugd? Heeft u zelf wel genoeg liefde en aandacht ontvangen van uw ouders? Dat soort vragen, daar heeft ze helemaal geen zin in. Alles beter dan dat. Ze moet zichzelf vermannen, zich niet aanstellen. Hoeveel miljoenen, nee miljarden moeders zijn haar in de mensheidsgeschiedenis voorgegaan? Die hebben zichzelf er toch ook doorheen geslagen, met schreeuwende baby’s en vaak onmogelijke echtgenoten. Eigenlijk mag zij niet mopperen. John heeft een goede baan, zorgt voor meer dan genoeg inkomsten en is altijd lief voor haar. Als hij er is ten minste. En Leroy is een wolk van baby, zeggen haar vriendinnen. Ja, als hij slaapt, zegt ze er dan in gedachten bij.
   Het zijn de spanningen, ze kan niet goed meer nadenken. Wat voor dag is het vandaag, hoe laat komt John thuis, heeft Leroy al zijn flesje gehad? Ja hoor, hij huilt weer. Ze loopt naar boven, maar halverwege de trap vertraagt ze. Dat wil zeggen, het kost haar opeens moeite haar voet omhoog te brengen. De volgende stap gaat nog moeilijker, alsof de zwaartekracht haar naar beneden drukt. Ze trekt zich met haar handen aan beide leuningen omhoog. Met de grootste inspanning bereikt ze de babykamer. Ze heeft de klink in haar hand. Dan blokkeert ze, haar spieren weigeren dienst, ze kan niet verder. Alsof haar lichaam vast zit. Het gehuil van Leroy gaat over in krijsen. Hij wil eten, drinken, een schone luier, gekoesterd worden. Maar ze blijft daar staan, als een blok beton, haar blik onwezenlijk op de grond gericht. Als een film die stil is gezet. De regisseur is weggelopen, de camera’s staan op pauzestand. Leroy huilt steeds harder. Ze hoort het, het beukt op haar trommelvliezen, via hamer, aambeeld en stijgbeugel bereikt het de trilhaartjes die een signaal aan de hersenen doorgeven dat ze in actie moet komen. Ogenblikkelijk. Maar dat gebeurt niet. Hoe lang ze daar staat weet ze niet. Wel dat ze op een gegeven moment hardhandig door elkaar wordt geschud.
   “Stefanie, wat is er met je?”
   Ze schiet los en kijkt in de ogen van John. Die neemt haar in zijn armen, bezorgd en geschrokken tegelijk.
   “Heb je Leroy niet horen huilen?”
   Stefanie kan zich er weinig van herinneren. Algehele stress, concludeert de invaldokter op de huisartsenpost de volgende ochtend. John vindt dit een onbevredigend antwoord en oppert om nader onderzoek te laten doen. Volgens hem is er meer aan de hand.

Een kleine week later doet ze boodschappen in het drukke winkelcentrum. Ze besluit naar de bloemist aan de overkant te gaan voor een bosje bloemen, bedoeld voor de grote vaas in de woonkamer. Altijd gezellig. Leroy is deze ochtend op aandringen van John op het kinderdagverblijf ondergebracht. Ze steekt de weg over, in de verte nadert een vrachtwagen. Er is tijd en ruimte zat. Halverwege lijken haar voeten ineens aan het wegdek vastgeplakt te zitten. Ze komt niet vooruit. Al haar spieren zijn verkrampt, ze zit volledig op slot. De vrachtwagen probeert te remmen, uit te wijken. Helaas, het grote gevaarte schiet door, er klinkt gepiep, het is te laat. Een alerte jongeman springt echter van zijn scooter, stormt naar voren en werpt zich op haar. Een fractie van een seconde later rollen de jongeman en zijzelf languit over de weg. De vrachtwagen suist voorbij. Ze kijkt beduusd om zich heen, nauwelijks beseffend wat er is gebeurd.
   “Sorry mevrouw, dat ik boven op u lig, maarre …”.
   Geeft niet, wil ze zeggen. Maar de woorden komen niet uit haar mond. Ze loopt rood aan tot in haar nek, staat snel op en veegt haar kleren af. De bloemen vergeet ze, de jongeman te bedanken ook, ze wil naar huis, bijkomen op de bank bij het raam. Een wijntje zal er wel ingaan.

Ze vertelt er niets over tegen John. Ze is niet gek. Hoewel ze daar zelf soms aan twijfelt. ‘s Nachts kan ze niet slapen. Ze stapt voorzichtig haar bed uit. Het huis ademt stilte, ook Leroy houdt zich koest. Ze sluipt in haar nachtjapon naar beneden. Ze neemt twee tabletten paracetamol tegen de hoofdpijn. Met een glas water gaat ze op de bank zitten. Langs de gordijnen heen kijkt ze naar de lege straat buiten. Het gele licht van de lantaarnpalen roept bij haar een beeld uit een oude film van Hitchcock op. Ineens ziet ze ruiters met speren in de hand aan komen draven, gezeten op witte paarden met wapperende manen. Ze maken een hels kabaal, het hoefgetrappel galmt tussen de huizen. Ze herkent de voorste, het is de leraar Frans van de middelbare school. Hij kijkt woest uit zijn ogen. Precies als die keer toen ze het antwoord schuldig bleef op zijn vraag en ze verlamd van angst en schaamte slechts strak naar de grond kon kijken. De hele klas lachen. Wat een afgang was dat. Daarachter een heuse bende op de ruggen van de andere paarden. Ze herkent direct de pestkoppen die haar schooltijd tot een nachtmerrie hebben gemaakt. Ze beleeft het als de dag van gisteren. Wat komen ze doen, die galbakken, haar ophalen? Om haar na al die jaren de genadeklap toe te brengen? Maar even snel als de ruiters kwamen, zijn ze weer verdwenen, de donkere nacht in. Nog even is er een stofwolk te zien, daarna beschijnt het gele licht van de lantaarnpalen de verlaten straat alsof er niets heeft plaatsgevonden.
   John snurkt nog altijd even vredig door. Als ze haar bed instapt meent ze even Leroy te horen, ze spitst haar oren, maar het blijft stil.

De volgende ochtend voelt ze zich geradbraakt, alsof ze teveel heeft gedronken en de hele nacht heeft doorgehaald. Nadat Leroy is weggebracht zakt ze thuis in haar stoel onderuit. Ze zou wel dagenlang achter elkaar kunnen slapen. Nooit meer wakker worden, alles vergeten.
   ’s Middags rijdt ze in haar Honda Civic naar de binnenstad. Even shoppen bij de nieuwste modezaken, wat eten en drinken op een terrasje, misschien kan ze Lauren bellen voor wat gezelschap. Even bijkletsen, de gezelligheid van vroeger proeven. Ze rijdt de gracht op waar ze wil parkeren. Er is precies één plek over, ze heeft geluk. Ze schakelt terug naar z’n twee en wil op de rem trappen. Maar haar voet blijft boven het rempedaal hangen. Alsof er geen gevoel in zit. Alle controle lijkt weg, de auto rijdt door, ze ziet zichzelf al het water in schieten. Ineens wordt er van vlakbij hard getoeterd. Ze schrikt en weet nog net op tijd de handrem aan te trekken. Met een schok komt ze tegen de ijzeren stang tot stilstand. Pff, zucht ze, op het randje.
   Het is dezelfde jongeman op de scooter als de week ervoor. Hij toetert nog een keer, voor de zekerheid, nu wat zachter. 
   “Alles wel goed met u, mevrouw?” vraagt hij bezorgd nadat Stefanie is uitgestapt. 
   “Ja eh nee, ik denk het wel,” antwoordt ze verward.
   De jongeman lijkt niet overtuigd. Hij probeert haar blik te vangen, maar ze slaat verlegen haar ogen neer.
   “Als ik u verder met iets kan helpen…”
   Nee, dat hoeft niet, knikt ze. Aarzelend start de jongeman zijn scooter en rijdt weg. Stefanie kijkt hem na, hoe hij nog één keer zwaait en dan achter een bocht verdwijnt. Ze pakt haar handtas uit de kofferruimte. Als ze de achterklep dichtslaat ziet ze aan de overkant een vrolijk stel lopen, gearmd en hardop lachend. Alsof het leven één groot feest is dat gevierd moet worden. Ze voelt haar hart een keer overslaan. Ze wankelt op haar benen, haar ogen bedriegen haar niet. Verdomme, het is hem echt. Haar moeder blijkt weer eens gelijk te hebben.
   Ze stapt opnieuw in haar auto. Heel resoluut nu. Ze haalt hem van de handrem, rijdt eerst twee meter naar achteren en geeft dan vol gas, recht naar voren. Er volgt een grote plons. De man en de jonge blonde vrouw aan de overkant kijken verschrikt op en laten elkaar voor even los. Hun beider mond valt open. Ze staan daar als aan de grond genageld, als bevroren haast, een verdrinking waar te nemen.