Hoofdbanner

De hele week had hij er niet van geslapen. Zijn eerste dag, de toespraak die hij moest houden voor het voltallige personeel. Terwijl hij er niemand kende. Niet van naam, niet van gezicht.
  
Hij was in zijn vakantiehuisje toen zijn mobiel afging. Hij lag nog in bed. Of hij invaller wilde zijn. Een vacature voor het vak Nederlands, iemand was plotseling ziek geworden. Natuurlijk door dat virus dat al een half jaar lang het land in zijn greep hield. Hij had getwijfeld, Ida had hem over de streep getrokken. Een flinke verbetering van positie joh, had ze gezegd. Meer aanzien, een hoger salaris, wie wil dat nou niet. Je bent stom als je niet toehapt.

Kennelijk was hij de eerste, op de parkeerplaats stonden nog maar twee auto’s. Bij de hoofdingang zag hij wel al enkele mensen staan. Hoewel, om de gestalten die zich daar ophielden mensen te noemen. Het was een raar gezicht. Hij had erover gehoord op social media, dat het zo erg was had hij niet verwacht. Witte vierkanten maskers met enkele gaatjes erin. Twee voor de ogen, een voor de neus, een half rondje voor de mond. Het deed hem aan de jaren zestig denken, beelden van de Ku Klux Klan uit Amerika. Alleen de punten ontbraken nog.
  
Hij wilde de voorste een hand geven, maar deze maakte armgebaren alsof er gevaar dreigde. Het maakte hem onzeker. Hij riep onhandig hallo naar een groepje mensen verderop. Er klonk wat gebrom terug. De voorste man, waarschijnlijk de rector, zei iets. Hij kon hem niet verstaan. De anderen kennelijk wel, er werd ijverig in de handen geklapt. Zonder dat dit geluid maakte, gezien de witte handschoenen die een ieder droeg.
  Hij liep verder, op zoek naar zijn klaslokaal op de tweede verdieping zoals hij had opgekregen. Over twintig minuten zou zijn les beginnen, een 2 Havo klas. In de deuropening van wat een kast leek zag hij een meisje staan. Weelderig blond haar, zonder masker of wat dan ook. Pientere ogen. Hij schatte haar op een jaar of twaalf. Ze knikte hem toe.     
   “Daar bent u dan eindelijk,” zei ze.
  
Hij stond perplex. Moest hij haar kennen? Hoe wist zij wie hij was?
  “En wie bent u?” vroeg hij vormelijk.
  Het meisje moest lachen. “Spreekt u me astublieft met ‘je’ aan. Ik ben Beatrice, ik zal u rondleiden. U bent nieuw hier, toch? Loop maar met mij mee.”
  Gedwee liep hij achter haar aan. Ze legde uit, wees met haar vinger naar verschillende lokalen en praatte aan één stuk door. Hij kon haar nauwelijks volgen, noch wat ze zei, noch waar ze liepen. Het gebouw was één groot doolhof van gangen, doorkijkjes, trappen omhoog, trappen omlaag, bochten linksaf, bochten rechtsaf, steeds weer nieuwe gangen. Bij een grote ruimte met wijd opengeslagen deuren hielden ze stil.
  “Kijk,” zei het meisje. “Dit is de personeelskamer. Bedoeld voor de kleerkrachten.”
  “Pardon?”.
  Hij keek haar aan. Had hij het goed verstaan, kleerkrachten? Het meisje zag zijn blik en moest lachen.
  “Ik kan merken dat u het nieuws de laatste tijd niet heeft gevolgd. Heeft u onder een steen gelegen of zo? Onze grote leider niet gehoord?”. Ze lag werkelijk dubbel, sloeg met haar handen op haar benen en proestte het uit. Nadat ze een beetje bijgekomen was, vervolgde ze:
  “U zult wel weten, dit zijn rare tijden. De wereld is aan het verschuiven. Er is een tijd voor het virus en een tijd na het virus. Dingen worden anders benoemd. U hebt gezien hoe het personeel zich kleedt en gedraagt? Iedereen heeft tegenwoordig een klesker op. Dat u dat niet doet moet u zelf weten, u krijgt daar wel problemen mee.”
  “Maar jij draagt zelf ook niet zo’n eh… klesker,” bracht hij er tegenin.
  “Nee, maar ik ben ook anders. Eigenlijk hoor ik hier niet. Ik loop hier wel rond, maar ben geen kleerling.”
  “Geen wat?”
  “Geen kleerling, degene aan wie u straks les gaat geven. Zo worden ze tegenwoordig genoemd, kleerlingen. Van hogerhand dienen we ze voortaan zo te noemen.”
  “Oh, zit dat zo,” zei hij, alsof hij het langzaam begon te begrijpen.
  “Zo, dit hier is uw klokaal. De deur staat al open. Ik laat u verder alleen, misschien zien we elkaar straks weer.”
  Ze knipoogde naar hem en was even later verdwenen. Hij had geen tijd zich verder te bedenken, vanuit de gang stroomde er een grote groep eh… kleerlingen op hem af. Hij ging naar binnen. Eerst de ramen open, frisse lucht is wat hij nodig had.
  Hij zag ze een voor een binnendruppelen. Een belachelijk gezicht, allemaal met zo’n vierkanten masker op. Sommige wit, andere donker, een paar zelfs vrolijk geel met zwarte stippen. Zonder hem te groeten ging iedereen zitten, braaf en met een vanzelfsprekendheid alsof men dit al jaren deed. Geen gekibbel, gepraat of wat dan ook. Een voorbeeldig stel. Vroeger had hij wel anders meegemaakt. Pubers vol opspelende hormonen, hij kon ervan meepraten.
  
Hij begon zich voor te stellen. Niemand reageerde vanachter zijn masker. Hij zag alleen wat ogen heen en weer bewegen. Een vraag, geen antwoord. Dan maar een reguliere les afdraaien. Een verhaal vertellen, dat ging er altijd wel in tijdens zo’n eerste les. Hij pakte zijn boek.
  “Eh, ik wilde vertellen over Karel en de …”.
  Hier stokte hij. Las hij het goed? Er stond toch duidelijk Kelegast en niet Elegast. Waar sloeg dit op? In de tijd dat hij afwezig was aangepast in eigentijdse taal?  Nou oké dan, dacht hij. En hij begon te vertellen over Karel en de Kelegast, over hun spannende belevenissen. Voor hij het door had was er een half uur verstreken. Niemand had op of om gekeken. Luisterden ze wel? Zijn gedachten dwaalden af. Vanmiddag zou hij die toespraak houden. Hij had de tekst thuis geoefend, met Ida als toehoorder. Ze had geknikt dat het goed was. Dat was een geruststelling voor hem, hoewel hij er als een berg tegenop bleef zien.
  Hij gaf huiswerk op, waarmee datgene dat zijn lokaal bevolkte nu al aan de slag kon. Iedereen pakte zijn pen op en begon aantekeningen te maken. Zo’n gehoorzame groep had hij niet eerder meegemaakt. Of hij hier nou blij mee moest zijn? Hij miste de klierende, met proppen gooiende leerlingen van vroeger. Hoe moeilijk het ook was om in die bende orde te houden. Er zat ten minste leven in.

Eerst haperde de microfoon. Ook dat nog, ging er door hem heen. Een flinke tik deed wonderen. Hij keek de zaal rond, overal witte vierkante koppen die afwachtten wat er ging gebeuren. Hij zocht de ruimte af, geen Beatrice te herkennen. Waar zou ze uithangen?
   “Beste collega’s,” begon hij. Hij twijfelde hoe verder te gaan. Het woord ‘collega’s’ voelde nu al misplaatst. Hij was duidelijk niet één van hen.
   “Allereerst wil ik mijn dank uitspreken dat ik eh…”. Ja, bedacht hij, waarvoor zou hij zijn dank uitspreken? Wat deed hij hier te midden van deze achterlijke figuren in deze al even achterlijke omgeving?
   “Dat ik eh… uitgenodigd ben om als nieuwbakken eh… kleerkracht hier kles te geven.”
   Hij wachtte even hoe zijn toespraak ontvangen werd.  Of hij de goede taal bezigde, zoals hij dat van Beatrice begrepen had. Alle maskers bleven onaangeroerd naar hem staren, alsof hij het was die van een andere planeet kwam.
   “Het is mij een eer, al moet ik natuurlijk nog wel wat wennen, de hartelijke ontvangst…”.
   Oei, hier begon hij te liegen. Bij jezelf blijven, hield hij zichzelf voor. Niet om de hete brij heen draaien, zeggen wat je wilt, zo eerlijk mogelijk.
   “De tijden zijn natuurlijk veranderd, wat dat betreft zijn jullie al een tijdje gewend, terwijl ik… terwijl het voor mij allemaal nog nieuw is. Maar ik heb er vertrouwen in dat ik op deze school…”.
   Ineens begon alles om hem heen te draaien, hij moest zich vasthouden om niet om te vallen. De zaal keerde zich ondersteboven, de vierkanten maskers bewogen allemaal op en neer, hinnikend en schuddend van het lachen. Er was een kakofonie aan murmelende geluiden overal om hem heen. Het suisde in zijn oren, in zijn hoofd. Hij meende gek te worden, hij dacht aan Beatrice, aan haar heldere ogen die hem zo op zijn gemak stelden. In één klap was hij rustig. Zich vastklemmend vast aan het spreekgestoelte zei met plotselinge stemverheffing:
   “Zoals ik zei, op deze school...".  Hij voelde de boosheid naar zijn wangen stijgen. Het kon hem geen zier meer schelen. Dan maar de knuppel in het hoenderhok.
   "Op deze klote school dus, vol kleerkrachten en kleerlingen aan wie ik kles zouden moeten geven," begon hij uitdagend. Hij wachtte een vijftal seconden, om zijn woorden extra effect mee te geven.
   "Jullie met je klesters, jullie zoeken het maar uit, stelletje klereleiers. Ik wens hier geen deel van uit te maken.”
   Bij de laatste zin smeet hij de microfoon demonstratief op de grond en stapte zonder verder iemand aan te kijken van het podium. De eerste de beste deur die hij pakte sloeg hij hard achter zich dicht. Hij sloeg geen acht op alle wachtende hapjes en drankjes in de kantine en beende zich een weg naar de uitgang. Terugkomen zou hij hier nooit meer, ongeacht wat Ida zou zeggen.
   Buiten, vlak bij zijn auto, zag hij Beatrice staan, haar rug naar hem toegekeerd. Hij aarzelde om op haar af te stappen. Maar ze draaide zich al om.
   “Het is u niet gelukt, zie ik. Jammer, maar misschien beter voor u. Het zijn rare tijden, de wereld is anders nu. Kennelijk blijft u dezelfde, hoewel u daardoor flink in de problemen kunt komen.”
   Jaja, knikte hij. Ze begreep hem. Was er toch nog iemand die… Nee, er zullen vast meer mensen zijn die deze schertsvertoning onzin vinden. Eerst thuis Ida maar eens overtuigen. Dat zou al een hele klus zijn.
   Toen hij zijn auto startte was Beatrice al verdwenen. Waarschijnlijk het schoolgebouw weer ingegaan, om nieuwe eh… kleerkrachten te verwelkomen. Toen hij de oprijlaan afreed en een ruime bocht maakte om de grote weg op te gaan, slaakte hij een zucht van verlichting. Ontsnapt, was het enige woord dat in hem opkwam.