Hoofdbanner

Begin jaren tachtig, toen ik in Apeldoorn woonde, kwam er af en toe een bevriend iemand bij ons op bezoek met een opmerkelijke visie op het maatschappelijk gebeuren. Hij zag er uit als een hippie uit de jaren zestig. Hij had jarenlang voor zijn kinderen gezorgd en werkte halve dagen bij de sociale dienst. In de tussentijd was hij daar afdelingschef geworden. Over de hiërarchie bij de sociale dienst zei hij (ongeveer) het volgende:

"De belangrijkste persoon bij de sociale dienst is de klant. Daar draait het om, daarvoor is de sociale dienst in het leven geroepen. De klant is nummer één. Degene die daarna het belangrijkste is, is de hulpverlener. Deze houdt intakegesprekken en heeft het meest directe contact met de klant. Degene die daarna komt is de afdelingschef. Die is er om ervoor te zorgen dat de hulpverleners hun werk kunnen doen. Hij is begeleider in een proces waaraan hij zelf niet meer deelneemt. Op de laatste en onderste plaats komt de directeur. Deze is volstrekt onbelangrijk. Hij moet voorwaarden scheppen, zodanig dat de sociale dienst draaiende blijft. De directeur is in feite een irrelevant persoon, staat onderaan de hiërarchische ladder."

Leuke theorie, denk je dan. Ik heb zijn carrière gevolgd. Hij klom in enkele jaren op tot onderdirecteur van de sociale dienst in Apeldoorn. Later werd hij directeur van de sociale dienst in Zwolle. Vervolgens werd hij in Rotterdam, toen het daar een administratieve puinzooi was, directeur Sociale zaken en Werkgelegenheid. Binnen 5 jaar tijd was daar orde op zaken gesteld. Daarna was Amsterdam aan de beurt, alwaar hij tot zijn pensionering naar ieders tevredenheid directeur van de sociale dienst was.

Carrière gemaakt van, zoals hij dat zelf noemde, the top naar the bottom. Wat in de beleving van velen de omgekeerde weg is. Want we willen omhoog. Ofwel, hoe andersom denken, anders en vooral bescheiden (durven) zijn, de sleutel tot succes kan zijn.