Hoofdbanner

In de natuurkunde wordt uitgegaan van het model van de Big Bang. Tijdens deze zogenaamde oerknal, 13,7 miljard jaar geleden, ontstond het heelal zoals wij dat nu kennen. De oerknal vond plaats in een enorm heet punt met een oneindig grote dichtheid. De temperatuur was toen belachelijk hoog, een 1 met 28 nullen kelvin! Zo'n punt noemt men een singulariteit.
Met de Big Bang zouden tijd en ruimte zijn ontstaan. Daarvoor waren die niet aanwezig. Het heeft dan ook geen zin te spreken van de tijd vóór de Big Bang, want die was er niet.

De theorie rondom de Big Bang is tamelijk stevig onderbouwd. Onder meer heeft men de kosmische achtergrondstraling, dit is de warmtestraling die is uitgezonden tijdens de Big Bang, kunnen meten. Die is nu nog zo'n 3 kelvin (oftewel -270 graden celsius). Zo'n 300.000 jaar na de Big Bang was deze nog 3000 kelvin. Het zal duidelijk zijn dat deze 'natrilling' steeds meer zal afnemen. Na zo'n 100 miljard jaar zal ze verdwenen zijn.

Eén van de eigenschappen van het heelal is dat deze uitdijt, te zien aan de roodverschuiving van het licht van verre sterren. Deze roodverschuiving ontstaat als een soort van Dopplereffect bij licht (vergelijk dit met geluid, wanneer een trein op je afkomt is het geluid hoger dan wanneer de trein zich van jou verwijdert. Bij licht is het zich verwijderen te zien als een roodverschuiving, het naar je toe komen een blauwverschuiving in de spectraallijnen van het opgevangen licht).
Met de algemene relativiteitstheorie kan men uitrekenen hoe snel dit uitdijen plaats vindt. Het zal duidelijk zijn dat de zwaartekrachtwerking (de aantrekking van materie tot elkaar) het uitdijen zal tegenwerken. Echter, uit metingen blijkt dat het heelal uitdijt met een versnelling. Deze versnelling vond plaats zo'n 5 miljard jaar na de Big Bang. Dit is alleen te verklaren met een kracht die tegengesteld werkt aan de zwaartekracht. Oftewel, een negatieve zwaartekracht.

Heel raar natuurlijk, zo'n negatieve zwaartekracht. Materie die elkaar niet aantrekt, maar juist afstoot. Donkere materie noemt men dit. Het heelal zou volgens de jongste berekeningen voor 22 % uit deze donkere materie bestaan.
Parallel hieraan spreekt men van donkere energie. Met een in 2001 gelanceerde satelliet, de WMAP, die de temperatuur van de kosmische achtergrondstraling in verschillende stadia na de Big Bang in kaart brengt, heeft men bepaald dat het heelal voor 74 % uit donkere energie bestaat.

Blijft er maar 4 % over voor de materie zoals wij die kennen. De gewone materie zeg maar, waar wij uit opgebouwd zijn, evenals de aarde, de planeten, de zon en alle andere sterren die wij waarnemen.
Een ongemakkelijk model natuurlijk, dat met die negatieve zwaartekracht, die donkere materie en die donkere energie. Maar een betere heeft de natuurkunde momenteel niet. We zullen het er voorlopig mee moeten doen. Tot er een nieuwe Einstein opstaat (Erik Verlinde uit Wageningen?) en de hele boel overhoop gooit.