Vorige week werd mijn tuin bezocht door twee distelvlinders. Een bijzonder gebeuren, want zo vaak zie ik ze niet. Ze hadden een voorkeur voor mijn rijkelijk bloeiende duizendschoon. Diezelfde dag zag ik nog een kleine vos en een atalanta, ook op de duizendschoon. Samen met twee citroenvlinders en een koolwitje begin mei was dit het wel wat vlinders betreft, voor mij om te aanschouwen. Een armzalige opbrengst. Triest hoor.
Distelvlinder
Maar goed, die twee distelvlinders maakten me blij. Ik zocht op internet naar hun herkomst. Blijkt dat ze helemaal uit Centraal-Europa en zelfs uit Noord-Afrika komen. Het zijn trekvlinders. Ze laten zich in het voorjaar op de windstromingen naar het noorden voeren. In het najaar reizen ze weer af naar meer tropische gebieden.
Ik kan me dat toch moeilijk voorstellen, dat trekken van deze vlinders over zulke grote afstanden, zo’n 15.000 km. Eén windvlaag de verkeerde kant op en weg zijn ze. En wat als de wind steeds weer uit één hoek blijft waaien? En dan net de verkeerde kant op? Of als ze in een regenbui terechtkomen? Toch doen ze het. Het moeten doorzetters zijn.
Ze heten distelvlinders omdat hun waardplanten (de planten waar ze hun eitjes op leggen) over het algemeen distels zijn. Het vrouwtje legt de eitjes bovenop het blad, het liefst in de volle zon. De rups kruipt vervolgens naar de onderkant van het blad, spint zich in en voedt zich met het blad. Als dat op is, kruipt hij naar een volgend blad en herhaalt zijn actie. De levensfase van een rups is ongeveer een maand. Daarna verpopt hij zich, wordt vlinder en trekt dan in het najaar weer weg. Mooi hoor.