Hoofdbanner

Taal is onontkoombaar. Niemand kan zonder haar, op straffe van volledige vereenzaming. Soms is ze ver weg, meestal dichtbij. Je moet haar aandacht trekken, ze komt niet vanzelf naar je toe. Open je handpalmen, loop onbevangen op haar toe, zonder verwachtingen, misschien ontdooit ze uit het harnas waarin ze gewoonlijk zit opgesloten. Hou van haar met heel je ziel en zaligheid.
Dat alleen is niet genoeg, je moet dit laten zien, elke dag opnieuw, elke seconde dat je leeft. Anders verlies je haar, voor even en misschien zelfs voorgoed. Ze zit nooit stil, is rusteloos, fladdert alle kanten op, is onvoorspelbaar in gedrag. Ze is aanwezig in de bomen van het bos, de struiken in het park, de planten in je tuin, elk grassprietje langs de kant van de weg. Of in de wind die het riet laat wuiven, de wolken die strepen zonlicht doorlaten, de vogels in de lucht. En jij als jager moet achter haar aan. Zoeken, ten strijde trekken, wapens verzamelen, op van alles voorbedacht zijn.  
Wanneer je haar in het vizier krijgt, wees voorzichtig. Niet direct aanraken, dat verstoort de mogelijkheden. Behoedzaam aftasten, kijken hoe ze reageert. Daarna, wanneer de tijd rijp is, begin je met vleierijen. Eerst fluisterend in haar oor. Alsof je verlegen bent en niet durft. Ze is uitermate gevoelig, ze wil gezien en erkend worden. Maar niet op een bruuske manier. De toppen van je vingers naderen, centimeter voor centimeter. Ze vinden de juiste posities. Die posities blijken holtes te zijn waarin je lijkt op te kunnen gaan. Waar betekenissen samenkomen, één zijn.
Je gaat door, net zo lang tot zij zich volledig voor jou openvouwt. Die stap is essentieel, dat jij het geduld hebt om te wachten. Dat zij smelt onder de warmte van jouw tederheid. Dan pas treed jij toe, ben jij de minnaar en is Taal jouw geliefde.

Maar, je kunt haar pijn doen, bij de kleinste verkeerde beweging. Een d- of t-fout voelt aan als een klap in haar gezicht. Een kromme zin is alsof je haar laat struikelen, waardoor ze met haar gezicht op de grond smakt. Pijn, bloedsporen op haar wang. Let ook op clichés, dat is doen alsof je iets te zeggen hebt, maar ondertussen kijk je ongeïnteresseerd de andere kant op. Alsof zij er niet toe doet. Dodelijk. Of fantasieloze zinnen hanteren. Dat voelt als tweedehands kleren die je toevallig uit een groezelig winkeltje hebt weggegrist en zij zich daarin maar moet kleden, bij gebrek aan iets anders. Alsof zij geen elegantie verdient.
Haar zo behandeld te zien worden doet pijn aan de ogen. Omdat je een Taalliefhebber bent. Je ziet een mishandeling plaatsvinden, niets meer en niets minder. Daar reageer je op, in boosheid, in schaamte ook. Je protesteert nadrukkelijk. Tegen de handeling, evenwel niet tegen de dader. Want je weet dat het veelal onwetendheid is dat mensen drijft. Onvermogen ook, een niet-getraind-zijn in een liefdevol omgaan met letters en regels. Soms ook is het domweg luiheid of onverschilligheid.
Dat is waarom je als Taalliefhebber fel reageert wanneer haar iets wordt aangedaan. Als door een wesp gestoken. Jij die normaliter vredelievend door het leven gaat. Waarom je overdreven tekeer kunt gaan, zelfs mensen voor altijd uit de tempel van haar heiligdom wilt verdrijven. Om ze nooit meer tegen te komen. Taal is je geliefde, je wilt haar beschermen.