Hoofdbanner

Na het succes van haar boek Stil de tijd uit 2009 werd Joke Hermsen gevraagd om in het kader van de Maand van de Spiritualiteit iets meer persoonlijks te schrijven over het onderwerp dat ze in Stil de tijd aansneed; het verschil tussen de kloktijd en de innerlijk beleefde tijd. Leidraad in dat boek waren de bevindingen van de Franse filosoof Henri Bergson, in het begin van de 20e eeuw een zeer invloedrijke filosoof, maar in onze tijd min of meer vergeten. Ze combineerde haar filosofische inzichten met het leven op het platteland in Frankrijk, waar ze een huisje heeft om de zomertijd in door te brengen.

Dezelfde methode (vanuit een dagboek haar belevingen opschrijven) hanteert ze in dit boekje van slechts 76 bladzijden, door haarzelf steevast een essay genoemd. Ze breidt haar zoektocht uit door het begrip ziel onder de loep te nemen. Ze is daar in eerste instantie zeer voorzichtig in. Zelf schrijft ze: ‘Lang ben ik voor het woord ‘ziel’ teruggedeinsd. Zelden heb ik het in filosofische zin in de mond genomen.’
Toch neemt ze dit woord vervolgens met vaste pen ter hand. Ze ziet een verband tussen de innerlijke beleefde tijd zoals Bergson die omschrijft en de aanwezigheid van de ziel. Maar ze is zichtbaar bang om zich op glad ijs te begeven. Ze citeert veel filosofen, van Aristoteles, Kant, Nietzsche tot Simone Weil. Tussendoor strooit ze met voorbeelden uit het werk van Marcel Proust, W.H. Auden, Virginia Woolf en andere literatoren.
Verrassend is dat ze verschillende keren Roel Bentz van de Berg aanhaalt, de schrijver van Engelen in regenjas. Maar met al haar overwegingen blijft ze wel de universitair geschoolde filosofe. Waarmee ik bedoel, ze weigert het pad van de ratio volledig te verlaten, zelfs bij de constatering dat de ziel met ons bewustzijn niet te definiëren valt. Ze erkent wel, in navolging van andere filosofen, dat bij een creatief proces eerst innerlijke stilte aanwezig moet zijn. Van daaruit pas kan een kunstwerk ontstaan. De ziel speelt daar een belangrijke rol in. De stilte aldaar is een voorwaarde om ‘bezield’ te kunnen opereren. De titel Windstilte van de ziel, een uitdrukking van Nietzsche, weet dit inzicht fraai te vangen. Maar het ik, het zelf of het ego, of wat voor naam je er ook aan wilt geven, volledig loslaten, zoals iemand als Meister Eckhart dat propageert, nee. Dat gaat haar duidelijk te ver. Zoals Gerard Visser dit soort loslaten het in zijn boek Gelatenheid. Gemoed en hart bij Meister Eckhart omschrijft roept bij haar zelfs irritatie op. Wanneer we onze ‘’aller-individueelste individualiteit zouden moeten loslaten dreigt namelijk een leegte van het gemoed als een door God aangelicht niets’, schrijft ze. En ruimte voor iets als een God of een andere overkoepelende natuurkracht is er niet. Omdat zoiets niet tastbaar is, een wetenschappelijke voorwaarde om serieus genomen te worden. “Het gaat mij om een betrokkenheid tussen ik en zelf, die verloren dreigt te gaan als we weer arm van geest moeten worden’, is haar nogal vage weerwoord.

Het is jammer dat ze die laatste stap niet wil of durft te maken. Zoals haar (en mijn) voorbeeld Simone Weil dat onverschrokken en met veel lef wel heeft gedaan. Door af te dalen tot in het diepst van haar ziel ontdekte Simone Weil religieuze waarheden die haar volledig anders naar de wereld en de werkelijkheid leerde kijken. Wat een rijkdom heeft zij hiermee in haar korte leven ontdekt. Met in haar kielzog de schrijfster Iris Murdoch, die tot soortgelijke ervaringen is gekomen. Maar goed, dat terzijde.
Wel komt Joke Hermsen tot het inzicht, ook weer aangestuurd door andere filosofen, dat onze cultuur belang heeft om te leren wachten. Wachten bijvoorbeeld op inspiratie of op een goed moment om te handelen. Niet te snel iets (verkrampt) willen. Maar ze maakt daar vervolgens een karikatuur van door dit heel letterlijk op te vatten. Ze wacht urenlang tot er iets in haar opborrelt, maar er gebeurt tot haar grote frustratie niets. Ja, denk ik dan, dit wachten behoort juist gepaard te gaan met de zogenaamde Gelassenheit van Meister Eckhart, maar als je je individualiteit weigert los te laten, dan heeft dit wachten weinig zin. Je verstand en vooral je hoop op succes zitten je dan in de weg.
Stilistisch is er weinig op de taal van Joke Hermsen aan te merken. Sterker, vooral in de eerste dagboekfragmenten is ze echt op dreef. Zoals de eerste zin: ‘Het is zomer, en hoe. Elke dag kruipt de zon langs een blauwe koepel omhoog en verbant me reeds rond het middaguur naar binnen.’ Ik vind dit prachtig beschreven. Of, even verder, als het namiddag is: ‘Het doek gaat open voor de verleidelijkste scène van de dag; de avond valt als een knielende danseres die met een gracieus knikje het applaus in ontvangst neemt.” Hier is een romanticus aan het woord met een sterk poëtische inslag. Deze toon zet zich voort in een aangenaam verfijnde natuurbeleving die het hele dagboek kenmerkt. Hulde daarvoor.

Maar als essay is het boekje bij elkaar rommelig van inhoud, weinig doortastend de diepte in, met veel beschreven inzichten van anderen, en een nogal slap einde van een voorgenomen pelgrimstocht naar Santiago de Compostella, die al na een paar dagen wordt afgebroken. Net als opeens haar dagboek zelf. Want, schrijft ze, haar opdrachtgever heeft aangegeven dat haar essay inmiddels genoeg bladzijden heeft. Tja.