Hoofdbanner

ZONDAG

geef mij vandaag geen dichters
die beginnen met geef mij
dan wel zich concentrisch cirkelen
aan lijnen rakend van rechtzinnig
aritmisch gedragen zwijgen

laat mij ranzen laat onder mijn wollig meurende dek
bed van ronkende woorden naast wollige woorden
en serveer mij geen imperatieven
als je mij laat in de middag wakker kust
bij het krieken van de televisie
geen verschijn van maning
maar een ovenvers geurend gezegde
of een lied over litmanen

en maar want gisteren was kwieker
wiekelwakke winkelwagenwieltjes waren
gisteren toen zei jij nog wakker als een wekkerspel
wikkelwakkelwaait het snel

maar je moet
je moet vandaag wat langzamer voor mij zijn
dring ook niet op ochtendwandel aan
langs beemdgras bermtoerisme of om jonge
sla te zien slap nog in vochtige bedjes

lurk lekker op mens
sabbel zachtjes concentrisch
cirkelend aan rechtse zinnen rakend
van de luilekkerman

Ilja Leonard Pfeijffer (1968 - )

 

De titel van het gedicht is Zondag: de dag dat er niet gewerkt wordt, de rustdag in de week. De dag van sport en spel, van familiebezoek en vrijetijdsbeoefening.

Er zijn vijf strofes. Het valt op dat elke strofe min of meer op zichzelf staat. En tegelijk ook aansluit op de volgende/vorige strofe.
In de eerste twee regels van het gedicht wordt direct de toon gezet.

geef mij vandaag geen dichters
die beginnen met geef mij 
 

Tezamen met de titel van het gedicht geeft de ik-figuur hier te kennen dat hij niet van zogenaamde zondagsdichters houdt. Maar tegelijk is het gedicht dat hij schrijft zelf ook een zondagsgedicht.
In die eerste regels druipt de ironie ervan af. Wat hij niet wil dat een ander doet, doet hij zelf. Dat dubbele geef mij is daardoor tamelijk hilarisch. Neem dit gedicht met een korreltje zout, lijkt de dichter te willen zeggen.

dan wel zich concentrisch cirkelen
aan lijnen rakend van rechtzinnig
aritmisch gedragen zwijgen 
 

De laatste drie regels van de eerste strofe beginnen met een pleonasme: concentrisch cirkelen. Daarna: cirkels die aan lijnen raken, oftewel tegengestelde inhouden die aan elkaar gekoppeld worden. Let op het jambische ritme van de één na laatste regel. En vervolgens de stijlbreuk in de laatste regel, waar dan ook terecht het woord “aritmisch” wordt gebruikt.
Alsof de dichter in de eerste strofe wil zeggen: in zogenaamde zondagsgedichten worden verschillende inhouden willekeurig aan elkaar gekoppeld, en verschillende stijlen min of meer door elkaar gehusseld.

laat mij ranzen laat onder mijn wollig meurende dek
bed van ronkende woorden naast wollige woorden
en serveer mij geen imperatieven
als je mij laat in de middag wakker kust
bij het krieken van de televisie
geen verschijn van maning
maar een ovenvers geurend gezegde
of een lied over litmanen

De tweede strofe is heel anders getoonzet. Zoals de eerste strofe begon met “geef mij… geen”,  begint het hier met “laat mij”. Laat mij met rust, lijkt de dichter te willen zeggen. Laat mij ranzen. Ranzen is een niet-bestaand woord, maar kan uitgelegd worden als: laat mij ranzig zijn. Laat mij in mijn eigen drek slapen, gezien het tweemaal wollige, het meurende, het ronkende, het dek-bed. Serveer geen gebiedende wijs, laat mij lui in de middag, net wakker geworden, televisie kijken, zonder maneschijn (leuk verhaspeld tot verschijn van maning). Laat mij nieuwe dingen (een ovenvers gezegde) bedenken, of flauwiteiten en woordspelingen (een lied over litmanen).

Laat mij kortom, oorspronkelijk zijn.
In de derde strofe gaat de dichter terug in de tijd. Dat geeft hij aan met het woord “gisteren”. Hij refereert hier aan een relatief oude dichter, en daarna aan een nog veel oudere.

en maar want gisteren was kwieker
wiekelwakke winkelwagenwieltjes waren
gisteren toen zei jij nog wakker als een wekkerspel
wikkelwakkelwaait het snel

Het woord “wiekelwakke” is ontleend aan de eerste regel van het bekende gedicht “Vogels” van Jan Hanlo (1912-1969).

Wiekelwakke vlindervleugels
Grijs of terracottakleurig
Hemelsblauw of bleek als schelpen
Fladderen om bloemenkelken.

Zie de zwaar overdreven alliteratie met winkelwagenwieltjes. De laatste twee regels refereren aan een nog veel ouder gedicht (zie: gisteren toen zei jij nog …), namelijk Bonte Abeelen van Guido Gezelle (1830-1899).

Wit als watte, en teenegadergroen, 
is 't bonte abeelgeblader
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.

Zie ook hier weer het voortborduren op de overtrokken alliteratie, dat op deze manier iets belachelijks krijgt.
“En maar want gisteren was kwieker”: de woordjes maar en want zo achter elkaar geeft iets dubbelzinnigs aan. Maar geeft een voorbehoud aan, want een uitleg. Alsof er vroeger ook al zondagsdichters waren, maar met veel geestdrift, met meer levenskracht (kwieker). Omdat ze het aandurfden om bijvoorbeeld uitgebreid te allitereren.
Strofe vier gaat ook terug in de tijd, maar minder ver, naar meer eigentijdse dichters.

maar je moet
je moet vandaag wat langzamer voor mij zijn
dring ook niet op ochtendwandel aan
langs beemdgras bermtoerisme of om jonge
sla te zien slap nog in vochtige bedjes

Beemdgras is een bundel van Judith Herzberg uit 1968. Bermtoerisme is een bundel van J. Bernlef, ook uit 1968. En het bekende gedicht “Jonge sla” is van Rutger Kopland, uit 1970.

Jonge sla

Alles kan ik verdragen,
Het verdorren van bonen,
Stervende bloemen, het hoekje
Aardappelen kan ik met droge ogen 
Zien rooien, daar ben ik 
Werkelijk hard in.

Maar jonge sla in september,
Net geplant, slap nog, 
In vochtige bedjes, nee

Interessant is op te merken dat Pfeijffer in zijn essays in het verleden genadeloos afrekende met Kopland en onder andere diens “Jonge sla”. “Dit gedicht berust op één stijlfiguur, de priamel, en Kopland past die retorisch niet correct toe”, aldus Pfeijffer.
De felle aanvallen van Pfeijffer op Kopland (men spreekt ook wel van onthoofding) waren beroemd en berucht in dichtersland.

De dichter geeft in de vierde strofe zodoende te kennen dat hij van dit soort hedendaags geneuzel niet veel moet hebben. Maar, geeft hij aan, iedereen lijkt hier in meegesleurd te worden.
De strofe begint dan ook met: “maar je moet / je moet vandaag ….
In de vijfde strofe keert hij weer terug naar zichzelf, keert hij weer terug naar de zondagsdichter die hij zelf af en toe ook wil zijn. Met al zijn inconsistenties als concentrisch cirkelen, aan rechtse zinnen rakend.

lurk lekker op mens
sabbel zachtjes concentrisch
cirkelend aan rechtse zinnen rakend
van de luilekkerman

De dichter wil de luilekkerman zijn, zich overgevend aan wat hem pleziert. Taal moet voor hem een luilekkerland zijn (vergelijk dit met “Tjeempie, of Liesje in luiletterland” van Remco Campert).
Hij wil kunnen spelen met taal, nieuwe woorden bedenken, stijlbreuken veroorzaken. Hij wil kortom, chaos veroorzaken in de orde van de poëzie. En dat is hem gelukt.