Hoofdbanner

Herinnering aan Holland

Denkend aan Holland
zie ik breede rivieren
traag door oneindig
laagland gaan,
rijen ondenkbaar
ijle populieren
als hooge pluimen
aan den einder staan,
en in de geweldige
ruimte verzonken
de boerderijen
verspreid door het land,
boomgroepen, dorpen,
geknotte torens,
kerken en olmen
in een grootsch verband,
de lucht hangt er laag
en de zon wordt er langzaam
in grijze veelkleurige
dampen gesmoord,
en in alle gewesten
wordt de stem van het water
met zijn eeuwige rampen
gevreesd en gehoord.

H. Marsman (1899-1940)


Dit gedicht uit 1936 van H. Marsman kent iedereen wel. Het is in het jaar 2000 door het Nederlandse publiek verkozen als allerbeste gedicht uit de Nederlandse literatuur. Hele generaties hebben dit op de middelbare school uit hun hoofd moeten leren. Althans vroeger, tegenwoordig lijkt poëzie in het onderwijs een ondergeschoven kindje te zijn en krijgt het over het algemeen weinig aandacht, is mijn eigen waarneming.

De titel geeft aan dat er sprake is van een terugblik, een afstand nemen tot wat eens was of geweest is. Een herinnering aan Holland: alsof dat land niet meer bestaat. Alsof er iets voorbij is en niet meer terugkeert. Nostalgie en weemoedigheid lijken centraal te staan. De vergelijking dringt zich op met het lied Het dorp van Wim Sonneveld uit 1965, een evergreen die elk jaar weer hoog in top 2000 staat. Waar bij Het dorp de zogenaamde vooruitgang wordt gehekeld en het voorbije verleden geromantiseerd wordt (ik heb hun vaders nog gekend, ze kochten zoethout voor een cent) in een treffende tekst, is het hier de natuur die in eerste instantie bezongen wordt.

Denkend aan Holland
zie ik breede rivieren
traag door oneindig
laagland gaan,
rijen ondenkbaar
ijle populieren
als hooge pluimen
aan den einder staan,


Het is de natuur zoals die oorspronkelijk het Nederlandse landschap kenmerkte, een geordend en overzichtelijk landschap dat een gevoel van herkenning en vertrouwdheid gaf. Dat was nog voor de industrialisatie en verstedelijking die alom voor vervreemding en een gevoel van onveiligheid zou zorgen. Let op het ouderwetse woord Holland, de naam die Nederland in vroegere tijden (de Gouden Eeuw) droeg toen het nog de wereldzeeën bevoer en het het rijkste en machtigste land van de wereld was.

Het gedicht is ritmisch geordend in een duidelijk herkenbaar mannelijk eindrijm. Regel 4 eindigt met gaan, regel 8 met staan, twee keer een werkwoord. Mooi, eerst het actieve gaan, wat stroming veronderstelt, daarna het statische staan, wat standvastigheid aangeeft. Ook fraai hoe rivieren en populieren als vanzelfsprekend op elkaar rijmen.
Er wordt gebruik gemaakt van hyperbolen als oneindig laagland en rijen ondenkbaar ijle populieren. Dit geeft het gedicht een wat extatisch beeld, kenmerkend voor een herinnering die geromantiseerd wordt. Juist wanneer men in het buitenland vertoeft, zoals H. Marsman destijds toen hij het gedicht schreef, gaat men het eigen land van herkomst idealiseren. Die overdrijving valt hier om die reden juist op zijn plaats. Ook het beeld van de hoge pluimen als van riet is fraai gekozen. Het geeft het gevoel van grote afstand (het verre buitenland) het tafereel te bekijken, alsof de populieren tot de hoogte van gras of riet zijn gereduceerd.     


en in de geweldige
ruimte verzonken
de boerderijen
verspreid door het land,
boomgroepen, dorpen,
geknotte torens,
kerken en olmen
in een grootsch verband,


Er wordt verder ingezoomd op het landschap, met overdrijvingen als de geweldige ruimte en een grootsch verband. Alsof het vroeger allemaal zo fantastisch was. Regel 12 eindigt met land, regel 16 met verband, twee keer een zelfstandig naamwoord deze keer. Let ook op de geknotte torens, overblijfselen van fameuze bouwwerken (misschien wel kastelen) van vroeger die er nu als geknotte wilgen uitzien. Klein gekregen, afgekapt, door mensenhand van hun grootsheid ontdaan. Oei, wat zijn we toch veel kwijtgeraakt.  

de lucht hangt er laag
en de zon wordt er langzaam
in grijze veelkleurige
dampen gesmoord,
en in alle gewesten
wordt de stem van het water
met zijn eeuwige rampen
gevreesd en gehoord.

Er vindt een opeens een grote omslag plaats. De weemoedigheid verwordt tot zwaarmoedigheid. Zo leuk is de herinnering toch niet. De lucht hangt er laag: de zwaarte is voelbaar, haast tastbaar. En de zon wordt er gesmoord, langzaam nog wel in grijze veelkleurige dampen. De benauwdheid slaat je op de keel als je dit leest, alsof er nauwelijks vrolijkheid en vitaliteit mogelijk is. Het is een en al beklemming wat hier wordt geschetst.
De laatste vier regels voegen daar nog eens een gigantische dreiging aan toe. Het zijn niet de minste woorden: eeuwige rampen, gevreesd en gehoord. Het is de stem van het water, staat er heel poëtisch. Later (in 1966) zal Bert Haanstra een documentaire met deze titel, ontleend aan dit gedicht, maken over de verbondenheid van Nederland met het water. Ook lijkt het gedicht vooruit te lopen op de grote watersnoodramp die Nederland in 1953 zal treffen. Alsof de dichter dat voorvoeld heeft.
Verder, regel 20 eindigt met gesmoord, regel 24 met gehoord, twee keer een voltooid deelwoord. Een goed gekozen volgorde: in de eerste acht regels een eindrijm met een werkwoord, daarna met een zelfstandig naamwoord, en als laatste met een voltooid deelwoord. Na de activiteit (het werkwoord) en de vaststelling (het zelfstandig naamwoord) is er de voltooiing (het voltooid deelwoord). Het gedicht is hier letterlijk en figuurlijk mee af. 
 
Uiteindelijk wordt er helemaal niet zo’n nostalgische herinnering opgehaald. Het voelt eerder alsof de dichter enerzijds de ruimte van het overzichtelijke landschap lijkt te missen, maar anderzijds blij is de bekrompenheid (van de mensen) en het gevoel van onveiligheid ontvlucht te zijn. De dichter heeft afstand genomen en wat hij ziet stemt hem niet vrolijk. Sterker, je ziet hem niet snel naar zijn vaderland terugkeren.
Opvallend dat het Nederlandse publiek dit tot beste gedicht aller tijden heeft gekozen. Misschien zegt het iets over onze van oudsher calvinistische landsaard met veronderstelde deugden als soberheid, rechtlijnigheid en een enigszins dogmatisch denken? Dat wij dit in dit gedicht herkennen? Misschien wel.